In het Nederlandse civiele recht geldt een getuigplicht. Dit betekent dat een ieder die daartoe op wettige wijze is opgeroepen, verplicht is om te getuigen. Op dit uitgangspunt bestaan echtere – onder strikte omstandigheden – belangrijke uitzonderingen. Het zogenaamde verschoningsrecht; kort gezegd het recht om niet te hoeven getuigen. Recent gaf de Hoge Raad een aantal belangrijke gezichtspunten voor de situatie dat er een beroep wordt gedaan op een dergelijk verschoningsrecht. Het arrest van de Hoge Raad is hier te lezen.
Getuigplicht en familiaal verschoningsrecht
De getuigplicht is neergelegd in artikel 165 lid 1 Rv. Uitzondering daarop vormt dus het verschoningsrecht. Het verschoningsrecht komt toe aan familieleden. Het oude artikel 165 lid 1 Rv kende dit zogenaamde familiale verschoningsrecht toe aan (i) de echtgenoot en de vroegere echtgenoot van een partij, dan wel (ii) de geregistreerde partner en de vroegere geregistreerde partner van een partij, (iii) de bloed- of aanverwanten van een partij, tot de tweede graad ingesloten, of (iv) de bloed of aanverwanten van de echtgenoot of van de geregistreerde partner van een partij, tot de tweede graad ingesloten. Sinds 1 januari 2025 is door invoering van het nieuwe bewijsrecht (Wet modernisering en vereenvoudiging bewijsrecht, zie Stb. 2024, 62, p. 3-4) hieraan nog toegevoegd een verschoningsrecht voor (v) de levensgezel en vroegere levensgezel van een partij, en (vi) de bloed- of aanverwanten van de levensgezel van een partij, tot de tweede graad ingesloten. Bloed- en aanverwanten tot de tweede graad zijn op grond van art. 1:3 BW de volgende: in de rechte lijn ouders en kinderen (eerste graad), grootouders en kleinkinderen (tweede graad); en in de zijlijn: broers en zussen (tweede graad). Aldus een aanmerkelijke verruiming. De ratio van het familiaal verschoningsrecht is het voorkomen van gewetensnood bij de getuige: “besparing van een gewetensconflict aan deze personen wanneer het afleggen van een waarheidsgetrouwe verklaring als getuige in het nadeel zou zijn van de procespartij tot wie men in nauwe familierelatie staat” (Parl. Gesch. Bewijsrecht 1988, p. 238. Zie ook HR 8 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2651, NJ 1998/606, rov. 3.4. Zie verder F.J. Fernhout, Het verschoningsrecht van getuigen in civiele zaken, Deventer: Kluwer 2004, p. 36-40.)
Getuige die een beroep doet op een verschoningsrecht
De Hoge Raad had te oordelen over de situatie waarin een getuige een beroep doet op een verschoningsrecht voorafgaand aan het getuigenverhoor. Moet deze getuige dan toch verschijnen? De Hoge Raad zet een aantal vuistregels op een rij:
- Ook de getuige die zich wenst te beroepen op een wettelijk verschoningsrecht of die meent een andere, bijzondere reden te hebben waarom het afleggen van een verklaring van hem niet kan worden verlangd, zal als regel ter terechtzitting moeten verschijnen om daar tegenover de rechter en de partijen, die immers belang erbij hebben dat aan deze verplichting uitvoering wordt gegeven, de gronden van zijn weigering kenbaar en voor de rechter toetsbaar te maken.
- In gevallen waarin aanstonds duidelijk is dat dergelijke gronden aanwezig zijn, kan het uit praktisch oogpunt de voorkeur verdienen dat de getuige deze tevoren schriftelijk aan de rechter en de betrokken partijen bekendmaakt om verspilling van tijd en kosten te voorkomen.
- Indien de partij die de getuige heeft opgeroepen zich niet met deze gronden kan verenigen, zal de getuige in beginsel alsnog moeten verschijnen voordat de rechter een beslissing over de weigeringsgrond(en) neemt. Alleen indien de partij die volhardt bij de oproeping van de getuige, geen enkel in rechte te respecteren belang bij de verschijning van de getuige heeft aangevoerd, zal de getuige met een beroep daarop schriftelijk aan de rechter mogen vragen dat hij op dit punt eerst een beslissing geeft.
Tevens grijpt de Hoge Raad de gelegenheid aan enkele processuele elementen te verduidelijken:
- De gegeven ‘regels’ gelden zowel voor een voorlopig getuigenverhoor als voor een getuigenverhoor in een bodemprocedure.
- De beslissing van de rechter in een voorlopig getuigenverhoor dat het beroep van een getuige op het verschoningsrecht slaagt en die getuige daarom niet voor verhoor ter zitting hoeft te verschijnen, geldt als einduitspraak over het beroep op het verschoningsrecht van de desbetreffende getuige. Tegen die einduitspraak kan een rechtsmiddel worden aangewend zonder rechterlijk verlof.
- Een behoorlijk opgeroepen getuige die een beroep op een verschoningsrecht wil doen en in verband daarmee verzoekt niet te hoeven verschijnen, blijft verplicht op de voor het verhoor bepaalde dag ter zitting te verschijnen zolang op het beroep op het verschoningsrecht nog niet is beslist. De rechterlijke beslissing op dat verzoek die erop neerkomt dat de getuige dient te verschijnen op de dag die voor het voorlopig getuigenverhoor is bepaald en ter zitting het beroep van de getuige op het verschoningsrecht verder zal worden behandeld, is een tussenuitspraak over het beroep op een verschoningsrecht. Tegen die tussenuitspraak kan alleen een rechtsmiddel worden aangewend met rechterlijk verlof.

