Opzegging van duurovereenkomsten: opnieuw opgelet!

Met het arrest van 16 mei 2025 voegt de Hoge Raad een nieuwe loot toe aan het leerstuk van de opzegging van duurovereenkomsten. Het arrest is hier te lezen. In dit blog bespreken wij dit arrest en gaan wij in op het algemene kader bij de opzegging van duurovereenkomsten. Het betreft een inmiddels complex leerstuk met voor de MKB-praktijk niet onaanzienlijke risico’s, maar ook kansen voor degene die wordt geconfronteerd met een opzegging.

Wat is een duurovereenkomst?

In de dagelijkse handelspraktijk worden vele overeenkomsten gesloten die al naar hun aard zijn bestemd om langere tijd te duren. Andere overeenkomsten worden voor een initieel korte termijn gesloten maar transformeren door het verstrijken van de tijd naar overeenkomsten met een langere duur. Vaak ontstaan er als gevolg van deze tijdsduur afhankelijkheidsrelaties. Een specifieke opdrachtgever wordt verantwoordelijk voor een aanzienlijk deel van de omzet van een onderneming. Er worden meerjarige investeringen gedaan met het oog op toekomstige opdrachten in dezelfde volumes. Het gaat immers al jaren goed. Als dan vrij plotseling een juridische opzegging van de overeenkomst door de opdrachtgever wordt gedaan, kan dit vergaande bedrijfseconomische gevolgen hebben. Niet zelden stapt in dit geval de opgezegde partij naar de rechter. Dit was niet anders in de casus die leidde tot het hiervoor benoemde arrest. Voor een goed begrip daarvan is het echter zaak eerst aandacht te hebben voor het juridisch kader. De eerste vraag is dan ook wanneer er sprake is van een duurovereenkomst.

Een wettelijke definitie van het begrip duurovereenkomst bestaat niet. Een wettelijke regeling omtrent de opzegging daarvan evenmin. Het leerstuk is zodoende overgelaten aan de rechtspraak en de literatuur. De laatste jaren laat een toename van rechtspraak zien op het gebied van met name de onbenoemde duurovereenkomst.

Dit blog is beperkt tot de zogenaamde onbenoemde duurovereenkomsten. Zodoende blijft bespreking van de opzegging van bijvoorbeeld een huurovereenkomst achterwege.

Bepaalde tijd of onbepaalde tijd?

Er dient onderscheid te worden gemaakt tussen overeenkomsten voor bepaalde tijd en overeenkomsten voor onbepaalde tijd. Dit onderscheid is doorgaans eenvoudig te maken. Een overeenkomst voor bepaalde tijd gaat uit van een bepaalde einddatum. Die staat of in het contract of volgt uit de aard van de afspraken. De overeenkomst is bijvoorbeeld aangegaan voor een concrete opdracht. Het gaat dan om de zogenaamde objectieve bepaalbaarheid van het einde van een overeenkomst. Een overeenkomst zonder objectief bepaalbaar einde kwalificeert als duurovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Contractuele opzegbepaling vs. ontbreken van een contractuele opzegbepaling

Verder dient onderscheid te worden gemaakt tussen duurovereenkomsten met een contractuele opzegbepaling en duurovereenkomsten zonder opzegbepaling. Met een opzegbepaling wordt bedoeld een contractuele afspraak waarin de voorwaarden van een opzegging worden bepaald. Doorgaans betreft het hier een opzegtermijn met een datum waartegen kan worden opgezegd.

Opzegging van duurovereenkomsten

De Hoge Raad heeft de afgelopen jaren in diverse arresten het leerstuk van opzegging van duurovereenkomsten behandeld (het meest recente overzichtsarrest betreft Goglio/SMQ Group uit 2018). Daaruit vallen de volgende regels af te leiden:

  1. Een duurovereenkomst voor bepaalde tijd zonder opzegclausule kan in beginsel niet tussentijds worden opgezegd. Partijen dienen de contractueel bepaalde looptijd of de objectief te bepalen looptijd uit te zitten. Een uitzondering kan worden aangenomen in het geval van onvoorziene omstandigheden, maar dit is een hoge drempel.
  2. Een duurovereenkomst voor bepaalde tijd met opzegclausule kan tussentijds worden opgezegd in lijn met de opzegclausule. Hier kunnen echter de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 BW) meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen worden gesteld. Te denken valt aan een aanbod tot het betalen van een schadevergoeding. Dit heeft de Hoge Raad in 2016 bepaald in het Alcatel-arrest.
  3. Voor een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd met opzegclausule lijkt sinds de Leenbakker-arresten van 2024 volgens de Hoge Raad hetzelfde uitgangspunt te gelden als voor duurovereenkomst voor bepaalde tijd met een opzegclausule.
  4. Een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd zonder opzegclausule is in beginsel opzegbaar. Dit is vaste rechtspraak van de Hoge Raad sinds hij terugkwam op het eerdere standpunt dat deze uitspraken nu juist niet tussentijds opzegbaar waren. De huidige leer is neergelegd in de arresten Ronde Venen/Stedin en Auping/Beverslaap. Op dit uitgangspunt zijn twee uitzonderingen aangenomen. De eerste uitzondering wordt weer ingekleurd door de eisen van redelijkheid en billijkheid. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat een opzegging slechts mogelijk is indien een zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat, dat een bepaalde (langere) opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard dient te gaan met een aanbod tot het betalen van een schadevergoeding (bijvoorbeeld ter dekking van gedane investeringen waarvan de terugverdientijd nog niet is verstreken). De tweede uitzondering betreft overeenkomsten die naar hun aard als niet-opzegbaar kwalificeren. Dit oordeelde de Hoge Raad in het arrest Provincie Noord-Holland/Gemeente Amsterdam. Dit soort overeenkomsten betreft evenwel de restcategorie.

Het arrest van de Hoge Raad van 16 mei 2025

Dan terug naar het arrest van 16 mei 2025. Het betrof hier twee duurovereenkomsten voor onbepaalde met een opzegclausule tussen enerzijds DPD (opdrachtgever) en twee vervoerders. De duurovereenkomsten waren aangegaan in 2008 respectievelijk 2011, in beginsel voor een jaar, maar nadien steeds stilzwijgend verlengd. De duurovereenkomsten bevatten een opzegclausule die opzegging voor beide partijen mogelijk maakte, met een opzegtermijn van een maand. In 2019 maakte DPD van deze opzegmogelijkheid gebruik. De opgezegde opdrachtgevers stapten vervolgens naar de rechter. Het Hof oordeelde dat DPD een te korte opzegtermijn in acht had genomen – volgens het Hof diende de opzegtermijn in elk geval enkele maanden te beslaan omdat de wijze waarop de samenwerking was gegroeid niet langer was verdisconteerd in de (inmiddels te) korte opzegtermijn van een maand – en door zulks niet te doen is DPD schadeplichtig jegens de opdrachtgevers. DPD gaat tegen dit oordeel in cassatie en met (gedeeltelijk) succes. De Hoge Raad oordeelt dat de wijze waarop het Hof de vorderingen heeft toegewezen niet conform het wettelijk systeem is. Het Hof had volgens de Hoge Raad moeten onderzoeken of de contractuele opzegclausule in strijd was met de eisen van de redelijkheid en billijkheid. Dit had het Hof miskend door simpelweg de contractuele opzegtermijn buiten beschouwing te laten en te vervangen door een langere termijn. De Hoge Raad maakt duidelijk dat een contractuele bepaling niet op deze manier binnen het wettelijk stelsel kan worden “uitgeschakeld”. De vraag naar de redelijkheid en billijkheid van de lengte van de opzegtermijn kan vanzelfsprekend wel aan de orde komen in het kader van de aangeboden (schade)vergoeding en zodoende betrokken worden in het oordeel of het gebruikmaken van de contractuele opzegtermijn voldoet aan de eisen van de redelijkheid en billijkheid.

In het geval een opzegging conform een opzegclausule in strijd wordt geacht met de redelijkheid en billijkheid doordat er geen aanbod tot (schade)vergoeding wordt gedaan, dan wordt de omvang van de schadevergoeding vervolgens bepaald aan de hand van de omstandigheden van het geval en hetgeen voortvloeit uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid. Het Hof was hier ten onrechte uitgegaan van een “hypothetische vermogensvergelijking”.

De Hoge Raad fluit het Hof aldus duidelijk terug onder verwijzing naar het overzichtsarrest Goglio/SMQ Group. De eisen van redelijkheid en billijkheid reiken aldus niet zover dat contractuele opzegtermijnen door een rechter zomaar kunnen worden uitgeschakeld en vervangen door “redelijke opzegtermijnen”. Dit oordeel lijkt vanuit de rechtszekerheid te billijken.

Contractueel uitsluiten van redelijkheid en billijkheid

Hoewel het aanlokkelijk lijkt om rechtszekerheid in te bouwen door simpelweg de werking van de redelijkheid en billijkheid uit te sluiten in (inkoop)contracten, is dit niet te adviseren. In de literatuur wordt immers vrij algemeen aangenomen dat de betreffende bepaling naar diens aard niet kan worden uitgesloten. Dergelijke contractuele voorzieningen blijven aldus zonder effect.

Tips voor de praktijk

Voor de praktijk toont deze uitspraak wederom aan dat “contractbeheer” geen sinecure is. In alle gevallen dienen duidelijke opzegbepalingen te worden overeengekomen. Opdrachtgevers zouden moeten zorgen voor tijdige tussentijdse opzegging om zodoende niet in het web van de duurovereenkomst voor onbepaalde tijd terecht te komen. In bestaande duurovereenkomsten zouden tussentijds nieuwe contractuele opzegbepalingen overeengekomen kunnen worden met (langere) opzegtermijnen die recht doen aan de inmiddels langere samenwerking waarbij ook gedacht kan worden aan een vergoedingssystematiek of staffel voor de door de afnemer gedane investeringen.

Conclusie

Het leerstuk van het opzeggen van (onbenoemde) duurovereenkomsten is nog altijd niet in rustiger vaarwater gekomen. Het blijft zaak om zowel in de fase voorafgaand aan de contractsluiting – waar er dus nog ruimte is om een contractuele opzegbepaling op te nemen – als nadien – als er wordt overwogen op te zeggen of als men geconfronteerd wordt met een opzegging -voorafgaand/direct juridisch advies in te winnen.

De advocaten van Aben & Slag Advocaten hebben ruime (proces)ervaring met de problematiek van de opzegging van benoemde en onbenoemde duurovereenkomsten. Indien u vragen heeft naar aanleiding van dit artikel of u wenst een concreet advies, neem dan contact op via 0495 536 138 of mrooijen@abenslag.nl

Deeplink: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:763

Marc Rooijen

Marc Rooijen voltooide de Master opleidingen Civiel recht en Togamaster aan de Universiteit Maastricht. Met ingang van 1 september 2009 is Marc in dienst bij Aben & Slag Advocaten. Hij houdt zich in hoofdzaak bezig met het procederen voor en het adviseren van commerciële partijen en overheden.

Nieuws categorieën