Eerste Kamer akkoord met Wet opheffing verpandingsverboden

Op 4 maart 2025 is het voorstel voor de Wet opheffing verpandingsverboden aangenomen door de Eerste Kamer. Het wetsvoorstel houdt in dat een verpandings- of overdraagbaarheidsverbod niet meer overeengekomen mag worden. Een dergelijk beding is nietig. Het wetsvoorstel beoogt de kredietverlening aan met name het midden- en kleinbedrijf (mkb) te stimuleren, zodat deze bedrijven hun uitstaande vorderingen als onderpand voor leningen kunnen gebruiken.


Huidig juridisch kader en problemen in het handelsverkeer

Artikel 3:83 BW gaat uit van het algemene beginsel dat eigendom, beperkte rechten en vorderingsrechten vrij overdraagbaar zijn, tenzij de wet of de aard van het recht daaraan in de weg staan. Deze overdraagbaarheid kan verder ‘door een beding tussen schuldeiser en schuldenaar worden uitgesloten’. Ingevolge de schakelbepaling van artikel 3:98 BW gelden deze uitgangspunten ook voor ‘de vestiging, de overdracht en de afstand van een beperkt recht op een goed’, zoals de vestiging van een pandrecht.

In veel bestaande overeenkomsten en bijbehorende algemene voorwaarden zijn bepalingen opgenomen die de overdracht of verpanding van vorderingen uitsluiten of beperken. Deze verboden komen voort uit de wens van debiteuren om niet geconfronteerd te worden met een nieuwe crediteur en om een vast betaaladres te behouden zodat duidelijk is aan wie bevrijdend kan worden betaald. Aan de andere kant betekent dit dat crediteuren, veelal kleinere ondernemingen, hun vorderingen niet kunnen gebruiken om krediet aan te trekken, wat hun financieringsmogelijkheden beperkt. 


Het nieuwe artikel 3:83 BW

Het wetsvoorstel houdt een wijziging in van artikel 3:83 BW. Volgens deze nieuwe bepaling is uitsluiting van overdraagbaarheid of verpandbaarheid niet mogelijk als het een geldvordering op naam betreft die voortkomt uit de uitoefening van een beroep of bedrijf. Als toch tussen schuldeiser en schuldenaar wordt afgesproken dat een dergelijke geldvordering onoverdraagbaar is of niet kan worden verpand, dan is die afspraak nietig. 

Ook nietig is een afspraak die ertoe strekt vervreemding of verpanding tegen te gaan. Het gaat dan bijvoorbeeld om een afspraak met de strekking dat het de schuldeiser verboden is de vordering over te dragen en/of er een boete verschuldigd wordt als de schuldeiser dat doet.

Uit de bepaling blijkt dus dat het alleen gaat om geldvorderingen die voortkomen uit de uitoefening van een beroep of bedrijf. Daarnaast voorziet het wetsvoorstel in enkele uitzonderingen. Een belangrijke uitzondering geldt voor vorderingen op betaal- en spaarrekeningen. Banken mogen nog steeds bedingen dat dergelijke vorderingen niet overdraagbaar zijn en niet verpand kunnen worden.

In het wetsvoorstel is bepaald dat als een geldvordering (op naam en die voortkomt uit de uitoefening van een beroep of bedrijf) wordt overgedragen, daarvan schriftelijk mededeling moet worden gedaan aan de debiteur van de vordering. 


Gevolgen voor bestaande bedingen

Het wetsvoorstel voorziet daarnaast in een regeling voor verpandingsverboden die reeds voor de inwerkingtreding van de wet zijn overeengekomen. Het overgangsrecht bepaalt dat de nietigheid als gevolg van het nieuwe artikel 3:83 BW ook geldt met betrekking tot bestaande bedingen. Deze nietigheid wordt echter pas van kracht drie maanden na de inwerkingtreding van de wet.


Conclusie

Het wachten is op de vaststelling van de datum van inwerkingtreding. Na inwerkingtreding van de wetswijziging is het niet langer mogelijk om de overdracht, de overdraagbaarheid en de verpandbaarheid van een zakelijke geldvordering met een contractueel beding uit te sluiten of in te perken. Hierdoor kunnen met name mkb-bedrijven hun uitstaande vorderingen gebruiken als onderpand voor leningen. Dit vergroot hun toegang tot financiering, wat essentieel is voor investeringen en groei. 

Heeft u vragen over het wetsvoorstel ‘Wet opheffing verpandingsverboden’? Of wilt u juridisch advies over een ander vraagstuk? Neem contact op met onze specialisten. Wij helpen u graag verder.