In een recente uitspraak van de Hoge Raad is geoordeeld dat het gerechtshof ambtshalve de hoogte van de transitievergoeding had moeten vaststellen, uitgaande van de door het hof zelf bepaalde einddatum van de arbeidsovereenkomst. In dit blog bespreken we de achtergrond, de juridische beoordeling en de gevolgen van deze uitspraak.
De achtergrond
De werknemer in deze zaak was sinds 1992 in dienst bij de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR). In de loop der jaren raakte de arbeidsverhouding verstoord, wat in 2022 leidde tot een ontbindingsverzoek van de EUR. De werknemer had in zijn tegenverzoek een transitievergoeding van € 33.571,83 verzocht, berekend op basis van een beëindiging van het dienstverband per 1 oktober 2022. De kantonrechter wees het ontbindingsverzoek echter af, waardoor het tegenverzoek van de werknemer tot toekenning van een transitievergoeding buiten behandeling bleef.
In hoger beroep oordeelde het gerechtshof anders: het ontbindingsverzoek werd alsnog toegewezen, en de arbeidsovereenkomst werd beëindigd per 1 oktober 2023. Het hof kende de werknemer een transitievergoeding toe van € 33.571,83 – het bedrag dat door de werknemer in eerste aanleg was verzocht, waarbij echter was uitgegaan van een beëindiging van het dienstverband per 1 oktober 2022.
Beoordeling door de Hoge Raad
De werknemer stelde cassatie in en klaagt allereerst over de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De Hoge Raad heeft deze klacht zonder inhoudelijke motivering verworpen. Ten tweede klaagt de werknemer over de hoogte van de toegekende transitievergoeding. Volgens hem had het hof moeten uitgaan van de beëindigingsdatum van 1 oktober 2023, wat zou leiden tot een hogere vergoeding van € 34.669,55.
De Hoge Raad gaf de werknemer hierin gelijk: het hof had niet mogen volstaan met het toekennen van het eerder verzochte bedrag, dat gebaseerd was op een beëindigingsdatum van 1 oktober 2022. De Hoge Raad benadrukt dat de wet strikte regels kent voor de berekening van de transitievergoeding (artikel 7:673 lid 2 – 6 BW), die mede zijn gebaseerd op de duur van het dienstverband. Bij de beoordeling van het hof dat de arbeidsovereenkomst pas op 1 oktober 2023 eindigde, had het hof ambtshalve een herberekening van de transitievergoeding moeten maken.
Proceskostenveroordeling
Hoewel de klacht gegrond was, leidde dit niet tot cassatie. Na het instellen van het cassatieberoep bereikten partijen namelijk buiten rechte overeenstemming over de aanvullende transitievergoeding. De EUR heeft dit bedrag inmiddels aan de werknemer voldaan. Daarmee ontbrak het belang bij verdere behandeling van de klacht.
Toch werd de EUR veroordeeld in de proceskosten van het cassatiegeding. De Hoge Raad week hiermee af van het advies van de advocaat-generaal, die vond dat een kostenveroordeling niet op zijn plaats was omdat het hof tot het toegekende bedrag van € 33.571,83 was gekomen zonder dat EUR daartoe had aangezet, en de werknemer in hoger beroep geen correctie had gevraagd van zijn eerdere verzoek.
Tot slot
De Hoge Raad maakt met zijn uitspraak duidelijk dat het hof ambtshalve had moeten herberekenen welk bedrag aan transitievergoeding verschuldigd was, gelet op de gewijzigde einddatum van het dienstverband. Hoewel de fout buiten rechte is hersteld en cassatie uitbleef, volgde toch een proceskostenveroordeling voor de EUR. Dit onderstreept het belang van een juiste toepassing van de wettelijke berekeningsregels, ook als partijen daar zelf niet (meer) op wijzen.
Heeft u vragen over dit blog of wilt u weten wat deze uitspraak betekent voor uw specifieke situatie, dan kunt u vanzelfsprekend contact met ons opnemen via 0495-536138 of info@abenslag.nl.

