Ongerechtvaardigde verrijking door natrekking

In een recente juridische procedure heeft de Hoge Raad zich in vervolg op zijn uitspraak d.d. 13 november 2020 gebogen over het leerstuk van ongerechtvaardigde verrijking ex artikel 6:212 BW.  De Hoge Raad oordeelt in dit arrest dat natrekking niet in beginsel al leidt tot verrijking. Het is aan de partij die zich op ongerechtvaardigde verrijking beroept om dit zelf te stellen en te bewijzen.

In het faillissement van een elektrolysefabriek is vloeibaar aluminium, na het stilleggen van de bedrijfsvoering door de curatoren, gestold en als gevolg van natrekking bestanddeel geworden van de ovens in de betreffende fabriek. Naar het oordeel van de Hoge Raad heeft dit ertoe geleid dat het pandrecht van partij A verloren is gegaan. Het gestolde aluminium is door de natrekking onder het bereik van de hypotheekrechten van partij B komen te vallen.

Partij A is van mening dat partij B hierdoor ongerechtvaardigd is verrijkt ten aanzien van de (opbrengst)waarde van het aluminium en stelt dat partij B derhalve aansprakelijk is voor de schade van partij A.

Partij B stelt echter dat de waarde van het terrein na de stolling van het aluminium aanzienlijk is gedaald. Volgens partij B is er zelfs sprake van een negatieve waarde van het terrein waarop haar hypotheekrecht rust. Partij B betwist gehouden te zijn de schade van partij A te vergoeden.

Ook de Hoge Raad deelt het standpunt van partij A niet en komt tot de volgende overweging:

‘R.O. 3.1.2. In de wetsgeschiedenis van art. 6:212 BW is opgemerkt dat een verrijking in geval van natrekking in beginsel ongerechtvaardigd is. Als uitgangspunt heeft echter niet ook te gelden dat in een geval van natrekking in beginsel sprake is van een verrijking. Als hoofdregel heeft dus, ook in een geval van natrekking, te gelden dat het aan de partij die zich op ongerechtvaardigde verrijking beroept, is om te stellen en zo nodig te bewijzen dat de natrekking tot verrijking heeft geleid.”

Voor het toewijzen van een vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking dient de eisende partij, op grond van artikel 6:212 BW, dus te bewijzen dat aan de volgende vier vereisten is voldaan: de verrijking van de een, de verarming van de ander (schade), het bestaan van een verband tussen de verrijking en de verarming, en de verrijking moet ongerechtvaardigd zijn (er is geen wettelijke regeling of rechtshandeling die de vermogensverschuiving rechtvaardigt).

Daarnaast geldt dat de verrijkte partij alleen gehouden is de schade van de verarmde partij te vergoeden voor zover dit redelijk is. Deze redelijkheidstoets voorkomt dat een gedaagde wordt veroordeeld tot schadevergoeding als de verrijking buiten zijn toedoen plaatsvond, en hem als het ware werd opgedrongen. Door de woorden “voor zover dit redelijk is” wordt de rechter de bevoegdheid gegeven alle omstandigheden in aanmerking te nemen.

Met betrekking tot de wijze waarop moet worden beoordeeld of er sprake is van verrijking van een der partijen, oordeelt de Hoge Raad als volgt:

R.O. 3.2.2 Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een verrijking in de zin van art. 6:212 BW komt het aan op een vergelijking tussen de feitelijke vermogenstoestand van de aangesprokene na het plaatsvinden van de gebeurtenis(sen) waarop de vordering is gebaseerd en diens hypothetische vermogenstoestand zoals deze zou zijn geweest als die gebeurtenis(sen) niet zou(den) hebben plaatsgevonden. Daarbij moet de rechter acht slaan op alle omstandigheden van het geval.”

Indien sprake is van natrekking, leidt dit dus niet automatisch tot verrijking van de andere partij. In dat geval dient alsnog te worden getoetst of aan de vereisten van artikel 6:212 BW is voldaan. Daarnaast kan de redelijkheidstoets ertoe leiden dat de “verrijkte” partij niet verplicht is de schade van de “verarmde” te vergoeden.

Heeft u vragen over natrekking, ongerechtvaardigde verrijking of andere juridische kwesties? Neem gerust contact op met ons kantoor via 0492- 74 99 90 of lschaijk@abenslag.nl. Wij staan klaar om u te adviseren en te ondersteunen.