Art. 32 lid 2 CMR regelt op eenvormige wijze het intreden, de rechtsgevolgen en de opheffing van de schorsing van de verjaring die op grond van art. 32 lid 1 CMR is aangevangen. Dit tweede lid bepaalt in het bijzonder (i) dat een ‘schriftelijke vordering’ als bedoeld in deze bepaling (vgl. met betrekking tot dit begrip HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV2839, NJ 2012/362) schorsing bewerkstelligt, (ii) op welk tijdstip en door welke handeling van de vervoerder deze schorsing wordt opgeheven, en (iii) dat verdere, op hetzelfde onderwerp betrekking hebbende vorderingen de verjaring niet schorsen.

Art. 32 lid 3 CMR verwijst naar het nationale recht (lex fori), welke verwijzing aldus moet worden begrepen dat zij ziet op de wijze(n) en de rechtsgevolgen van schorsing of stuiting van de verjaring van art. 32 lid 1 CMR, anders dan door middel van de in art. 32 lid 2 CMR voorziene (en eenvormig uit te leggen) ‘schorsing’ door middel van een ‘schriftelijke vordering’. Het is derhalve aan het nationale recht overgelaten om te bepalen door middel van welke niet-verdragsrechtelijke handelingen kan worden bereikt dat schorsing of stuiting van de verjaring van art. 32 lid 1 CMR intreedt, en welke niet-verdragsrechtelijke gevolgen daaraan zijn verbonden. Daarbij valt voor het Nederlandse recht te denken aan stuiting, die wordt bewerkstelligd door het instellen van een eis in rechte (art. 3:316 BW), door een schriftelijke aanmaning of mededeling (art. 3:317 BW) of door erkenning van de vordering (art. 3:318 BW).

Ten aanzien van de verhouding tussen het tweede en het derde lid van art. 32 CMR heeft te gelden dat het nationale recht waarnaar het derde lid verwijst, de eenvormige regels van het tweede lid onverlet laat. Waar de verdragsrechtelijke regeling van het tweede lid bepaalt dat na de opheffing van de schorsing door de vervoerder verdere, op hetzelfde onderwerp betrekking hebbende vorderingen de verjaring niet schorsen, kan daarop dan ook geen inbreuk worden gemaakt door een in het derde lid bedoelde schorsings- of stuitingshandeling naar nationaal recht, voor zover laatstgenoemde handeling in dit verband moet worden aangemerkt als een (schriftelijke) vordering als bedoeld in het tweede lid.

Het vorenstaande betekent dat indien de verjaring van art. 32 lid 1 CMR door een schriftelijke vordering in de zin van art. 32 lid 2 CMR is geschorst en deze schorsing vervolgens op de voet van art. 32 lid 2 CMR is opgeheven, een schriftelijke aanmaning of mededeling op de voet van art. 3:317 BW, die betrekking heeft op hetzelfde onderwerp als de eerdere schriftelijke vordering, niet ertoe kan leiden dat de verjaring wederom wordt geschorst of alsnog wordt gestuit. De schriftelijke aanmaning of mededeling in de zin van art. 3:317 BW moet in dit verband immers worden aangemerkt als een vordering als bedoeld in art. 32 lid 2 CMR.

Art. 32 lid 2 CMR belet evenwel niet dat door het instellen van een eis in rechte op de voet van art. 3:316 BW of door erkenning van de vordering op de voet van art. 3:318 BW, de verjaring van art. 32 lid 1 CMR rechtsgeldig wordt gestuit, ongeacht of deze verjaring in een eerder stadium op de voet van art. 32 lid 2 CMR is geschorst en of deze schorsing reeds is opgeheven. Het instellen van een eis in rechte en erkenning van de vordering kunnen in dit verband immers niet worden aangemerkt als vorderingen als bedoeld in art. 32 lid 2 CMR.