In Arbeidsrecht

Voorwaarden stellen aan betaling van de beëindigingsvergoeding bij slapend dienstverband door werkgever mogelijk?

Door Hannah de Ruijter, geplaatst op 22 maart 2021 in Arbeidsrecht

Eerder schreven wij artikelen over de beëindiging van slapende dienstverbanden. De jurisprudentie over de beëindiging van slapende dienstverbanden is weer vervolgd. Dit keer stond de vraag centraal of een werkgever bij de beëindiging van een slapend dienstverband een voorwaarde mag stellen aan betaling van de beëindigingsvergoeding. Meer specifiek de voorwaarde dat er enkel een beëindigingsvergoeding verschuldigd is wanneer de werkgever hiertoe wordt gecompenseerd. 

Eerst kort een recapitulatie van wat slapende dienstverbanden en de compensatie inhouden. Een werknemer heeft een slapend dienstverband wanneer zijn of haar dienstverband na 104 weken ziekte (de wachttijd) niet wordt beëindigd. De werknemer voert echter geen werkzaamheden meer uit en de werkgever betaalt ook geen salaris meer. Om een verplichting tot het betalen van een transitievergoeding te voorkomen werden de werknemers in dienst gehouden. De werkgevers hadden immers als 104 weken voldaan aan hun (betalings)verplichtingen gedurende de ziekte. Sinds de Xella-uitspraak van de Hoge Raad kunnen werknemers echter verzoeken om een beëindiging van het dienstverband. In dat geval moeten werkgevers hieraan meewerken. De werkgevers kunnen daarbij onder omstandigheden in aanmerking komen voor een compensatie van de transitievergoeding.

In een recente uitspraak is de situatie aan bod gekomen dat een werkgever in 2019 een werknemer heeft aangeboden haar slapend dienstverband te beëindigen met wederzijds goedvinden. In dit voorstel werden aan de toekenning van de beëindigingsvergoeding enkele voorwaarden verbonden. Eén van deze voorwaarden hield in dat de beëindigingsvergoeding enkel werd toegekend wanneer de werkgever volledige compensatie voor de betaalde beëindigingsvergoeding zou krijgen als bedoeld in de Wet Compensatie transitievergoeding, tenzij de compensatie door toedoen of nalaten van de werkgever geweigerd zou worden. Of deze voorwaarde toegestaan is, is voorgelegd aan de kantonrechter Limburg. De rechter oordeelde dat de werkgever met deze voorwaarden niet in strijd heeft gehandeld met het vereiste van goed werkgeverschap.

De (hoogte van) het recht op compensatie kan een rol spelen bij de vraag of een werkgever moet instemmen met een beëindigingsvoorstel van de werknemer tot beëindiging van het slapend dienstverband. 

De rechter gaf hierop – in het kort – de volgende toelichting. Met de Wet compensatie transitievergoeding is beoogd om de financiële verplichtingen voor werkgevers bij langdurige arbeidsongeschikte werknemers zo verregaand mogelijk te beperken door compensatie van de betaalde transitievergoeding. De werknemer stelt dat uit de Xella-uitspraak volgt dat de verplichting van de werkgever niet verbonden is aan de (hoogte) van de compensatie. Volgens de kantonrechter volgt echter niet uit deze uitspraak dat werkgevers ongeclausuleerd de transitievergoeding moeten toekennen. De (hoogte van) het recht op compensatie kan weldegelijk een rol spelen bij de vraag of een werkgever moet instemmen met een voorstel van de werknemer tot beëindiging van het slapend dienstverband. Bij ongeclausuleerde toekenning van een transitievergoeding loopt de werkgever immers nog steeds het risico op cumulatie van financiële verplichtingen.

In 2019 – ten tijde van het voorstel tot beëindiging – was het voor werkgever nog onzeker of de compensatie zou worden toegekend. Dit werd pas in 2020 duidelijk.  De werkgever heeft daarmee met het stellen van de voorwaarde niet in strijd gehandeld met goed werkgeverschap.

Concluderend: werkgevers mogen bij slapende dienstverbanden aan de betaling van de beëindigingsvergoeding de voorwaarde verbinden dat zij (voor dit bedrag) gecompenseerd worden. 

Heeft u nog slapende dienstverbanden? Neem voor vragen en advies contact op met een van onze advocaten arbeidsrecht (0495 536 138 of info@abenslag.nl).

Hannah de Ruijter

Hannah de Ruijter

Met ingang van 1 oktober 2018 is Hannah in dienst bij Aben & Slag Advocaten. Hannah is binnen ons kantoor werkzaam in de specialistenteams "Arbeidsrecht" en "Ondernemingsrecht".