In Ondernemingsrecht

Vernietiging van een ontslag op staande voet: wanneer is de werknemer op tijd?

Door Rob Geraats, geplaatst op 21 juni 2021 in Ondernemingsrecht

Op 21 mei 2021 heeft de Hoge Raad een uitspraak gedaan over het tijdig indienen van een verzoek tot vernietiging van een ontslag op staande voet. In deze zaak speelde het volgende:

Feiten

Een werknemer werd op 26 oktober 2018 op staande voet ontslagen. Op 24 of 25 december 2018 (net vóór of ná middernacht, wanneer werd niet duidelijk) heeft die werknemer een verzoekschrift tot vernietiging van het ontslag op staande voet ingediend. Volgens de kantonrechter was dat tijdig. Het gerechtshof vond in hoger beroep dat dat niet het geval was. De werknemer gaat in cassatie tegen dat oordeel van het hof.

Juridisch

Artikel 686a, lid 4 van het zevende boek van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een verzoekschrift tot vernietiging van een ontslag op staande voet ingediend moet worden binnen 2 maanden na de dag dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd. 

De Hoge Raad overweegt dat die termijn van 2 maanden begint te lopen op de eerste dag na de laatste dag van het dienstverband en dat deze afloopt aan het einde van de met die laatste werkdag overeenstemmende dag met hetzelfde nummer als die laatste werkdag. Concreet: eindigt een arbeidsovereenkomst op 20 juli, dan is die laatste dag dus 20 september. Is een maand korter en heeft zij het dagnummer niet waarop de arbeidsovereenkomst eindigt, dan eindigt de termijn op de laatste dag van de maand. Concreet: eindigt een arbeidsovereenkomst op 31 december, dan loopt de termijn af op 28 februari (29 in een schrikkeljaar). 31 februari bestaat immers nooit. 

De wettelijke termijn waarbinnen het verzoekschrift ingediend moet zijn, kunnen partijen niet bepalen. Staat dus vast wanneer de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dan stelt de rechter het einde van de indieningstermijn vast. 

In deze zaak viel het einde van de indientermijn op 2de Kerstdag. Inmiddels geldt voor de termijn van artikel 686a, lid 4 van het zevende boek van het Burgerlijk Wetboek de Algemene Termijnenwet (toen nog niet). Die zou nu inhouden dat in zulk een geval de termijn sowieso verlengd wordt tot de eerste dag na die feestdag. In deze zaak gold de Algemene Termijnenwet nog niet, maar de Hoge Raad overweegt dat in zulke gevallen die termijn gewoon afloopt op die feestdag zelf (hij wordt dus niet verkort of iets dergelijks). 

Het hof heeft dus een verkeerde vaststelling gedaan. De arbeidsovereenkomst liep af op 26 oktober 2018, dus de laatste dag waarop het verzoek ingediend kon worden was 26 december 2018. Het verzoek was dus op tijd. 

Heeft u naar aanleiding van dit artikel nog vragen? Neem dan vrijblijvend contact op met mr R.M.E. (Rob) Geraats via  0492 – 749 990 of via rgeraats@abenslag.nl.

Rob Geraats

Rob Geraats heeft aan de Universiteit van Tilburg Europees recht en International business law gestudeerd. Na zijn studie heeft hij 3 jaren in de advocatuur gewerkt en per 1 maart 2019 heeft Rob de overstap gemaakt naar Aben & Slag Advocaten.