In Ondernemingsrecht

Update over verjaring: zorg dat uw claims nog opeisbaar zijn en blijven!

Door Rob Geraats, geplaatst op 16 september 2020 in Ondernemingsrecht

Het is een algemeen bekend begrip uit ons recht: verjaring. Na een bepaalde periode kunt u geen aanspraak meer maken op een bepaald recht en dat is – hoe zuur soms ook – iets waarmee menig ondernemer geconfronteerd zal worden. Er zijn echter wel mogelijkheden dit te voorkomen; onder andere door het stuiten van verjaring. In dit artikel ga ik daarbij in op 2 bijzondere situaties van het stuiten van verjaring die in de praktijk van menig bedrijf geregeld voor zullen komen.

Situatie 1: stuiting van verjaring bij een V.O.F.

In de praktijk is de v.o.f. (vennootschap onder firma) een veelgebruikte rechtsfiguur, maar in de juridische wereld is zij een bijzondere geval. Het is namelijk geen rechtspersoon, zoals bijvoorbeeld een b.v. en dat betekent dat de personen achter de v.o.f. (de vennoten) allen in beginsel hoofdelijk aansprakelijk zijn voor schulden die de v.o.f. aangaat. Tegelijkertijd wordt de v.o.f. in ons recht dan weer behandeld alsof het wel een rechtspersoon is. Daarom nu concreet de vraag: wat moet ik doen als ik een vordering op een v.o.f. heb die dreigt te verjaren? stuiten bij de v.o.f., de vennoten of bij allemaal?

In beginsel kan een crediteur zijn vordering op de v.o.f. geldend maken tegen de vennoten gezamenlijk als op ieder van de vennoten hoofdelijk en persoonlijk. De crediteur lijkt dus min of meer 2 vorderingen te hebben en de Hoge Raad heeft dan ook recent bepaald dat ieder van die vorderingen afzonderlijk kan verjaren.

Maar moet dan ook tegen ieder van de vennoten nog los de vordering worden gestuit, los van een stuiting aan de v.o.f.? Nee, zegt de Hoge Raad. Een vordering aan de v.o.f. is voldoende, omdat een vennoot in beginsel mag begrijpen dat met die stuiting ook de stuiting van de vordering op hem persoonlijk gestuit wordt.

Het is dus van belang een stuiting aan de v.o.f. te richten als crediteur van de v.o.f. Dit is in beginsel voldoende. Mocht u toch volledige zekerheid willen over de stuiting van de verjaring, kunt u een stuiting uiteraard altijd nog los aan de venno(o)t(en) privé richten.

Situatie 2: Stuiting van verjaring na een ontbinding van een rechtspersoon.

Deze situatie zal in de praktijk eveneens voor kunnen komen. Indien u zaken doet met een rechtspersoon (bijvoorbeeld een b.v.), en u verkrijgt vorderingen daarop, dan verjaren die vorderingen in beginsel ook. Stel nu echter dat de rechtspersoon wordt ontbonden en vereffend (na een faillissement of een vereffening). Na de ontbinding en vereffening houdt de rechtspersoon op te bestaan, maar de wet bepaalt dat hij weer kan herleven als er nog vermogen vereffend moet worden. Indien een b.v. dus is ontbonden en vereffend, maar er is nog actief, kunt u dus mogelijk nog uw vordering voldaan krijgen als dat nog niet was gebeurd bij de vereffening (of daarvoor). Ooit kan het echter lang duren voordat u er achter komt dat een rechtspersoon niet meer bestaat. Wat dan? Is uw vordering ook verjaard?

De Hoge Raad vliegt dit probleem praktisch aan. Zolang de rechtspersoon niet meer bestaat na een vereffening, wordt de verjaringstermijn verlengd met die periode. Dus stel dat uw vordering op het moment van ophouden te bestaan nog 2 jaar opeisbaar is, dan blijft die 2 jaar ‘staan’ totdat de vereffening weer wordt geopend. Pas op dat moment (dus wanneer u weer uw vordering ten gelde kunt maken), gaat de verjaringstermijn verder lopen.

Heeft u vragen over dit artikel, of heeft u andere vragen over het ondernemingsrecht? Neemt u dan gerust contact op met mr. R.M.E. (Rob) Geraats (0492 – 749 990 of rgeraats@abenslag.nl)

Rob Geraats

Rob Geraats

Rob Geraats heeft aan de Universiteit van Tilburg Europees recht en International business law gestudeerd. Na zijn studie heeft hij 3 jaren in de advocatuur gewerkt en per 1 maart 2019 heeft Rob de overstap gemaakt naar Aben & Slag Advocaten.