In Personen & familierecht

Toch een afwijking van de Tremanormen bij kinderalimentatie

Door Jamilla Rouchdi, geplaatst op 18 juni 2017 in Personen & familierecht

Op 16 maart 2016 heeft rechtbank Limburg (locatie Maastricht) een uitspraak gewezen die vrij opmerkelijk is en tevens wordt bekrachtigd door het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch op 2 maart 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:847). Wat was er aan de hand? De ouders van een kind hebben hun relatie verbroken en discussiëren over de ingangsdatum van de vast te stellen kinderbijdrage en belangrijker nog, de hoogte ervan.

Allereerst bestaat er onenigheid over de begindatum van de betaling. De vrouw heeft de man al in november 2015 laten weten dat zij graag een onderhoudsbijdrage ten behoeve van het kind wil ontvangen van de man. De man geeft bij de rechter in eerste aanleg aan dat hij wel vanaf 1 januari 2016 een (lage) bijdrage wenst te betalen. De rechtbank acht het redelijk dat de bijdrage met ingang van 1 december 2015 wordt vastgesteld. In hoger beroep wil de man de bijdrage pas betalen vanaf het moment dat het Gerechtshof een beschikking wijst en vordert terugbetaling van hetgeen hij reeds aan de vrouw ten behoeve van het kind heeft voldaan. Het Gerechtshof acht het de door de rechtbank vastgestelde termijn redelijk en wijst de vordering van de man dan ook af.

Meer van belang is echter nog de hoogte van de te betalen bijdrage. De man geeft aan dat hij een basis studiebeurs voor thuiswonenden ontvangt, welk bedrag volledig opgaat aan zijn studie. Ter zitting van het hof heeft de man verklaard dat hij met ingang van 1 november 2016 uitwonend is en navenant een studiebeurs ontvangt van € 290,68 per maand, een collegegeldkrediet van € 165,33 per maand en een lening van € 468,59 per maand. Daarnaast ontvangt de man nog een wezenpensioen ten bedrage van € 111,72 per maand. Dit betekent dat de man een inkomen heeft dat onder het bijstandsniveau ligt. De man is 23 jaar, volgt een studie en kan volgens eigen zeggen geen bijbaan zoeken omdat hij 7 dagen per week aan zijn studie besteed. De vrouw is eveneens studerend en leent het maximale bedrag bij DUO om voor het kind te kunnen zorgen. Een kind wat overigens diverse beperkingen heeft in het autistische spectrum en een forse ontwikkelingsachterstand heeft. De vrouw heeft vanaf de geboorte in financiële zin alleen voor het kind zorg gedragen, terwijl de vrouw ook enkel een studiebeurs ontving.

In het licht van de in de procedure genoemde feiten en omstandigheden ziet het hof voldoende aanleiding om in afwijking van de aanbevelingen van het Tremarapport de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind vast te stellen op een bedrag van € 50,- per maand. Normaliter is de onderhoudsplichtige een bijdrage verschuldigd van maximaal € 25,- per maand, indien deze een inkomen heeft dat op of onder het bijstandsniveau ligt. De man heeft echter – kort weergegeven – onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom hij geen ruimte heeft voor een bijbaan, maar met zijn huidige inkomen kennelijk wel in staat is om een woonruimte te huren met een huurprijs van € 796,27 per maand.

Heeft u naar aanleiding van dit artikel vragen of wilt u hier meer over weten? Neemt u dan gerust contact op met mevrouw mr. J. (Jamilla) Rouchdi  (0495 – 536 138 / jrouchdi@abenslag.nl).