In Insolventierecht & herstructurering

Pandrechten op vorderingen en pandlijsten, niet altijd een gelukkige combinatie!

Door Roy Bongers, geplaatst op 19 juni 2020 in Insolventierecht & herstructurering

De Hoge Raad heeft recent weer een duit in het zakje gedaan voor wat betreft de uitleg van (pand)aktes die strekken tot het verpanden van vorderingen. Indien u in uw verpandingsdocumentatie verwijst naar pandlijsten ter bepaling van de verpande vorderingen, zou ik u zeker adviseren om even verder te lezen.

Wat was er aan de hand?

De pandhouder in kwestie hanteerde een (stam)pandakte met de volgende bepaling:

“Tot meerdere zekerheid voor de betaling of teruggave van al hetgeen de pandgever aan pandnemer nu of te eniger tijd schuldig mocht zijn of worden […] verpandt de pandgever aan de pandnemer […] zijn gehele bedrijfsuitrusting, zulks in de ruimste zin […].

Tevens verbindt de pandgever zich hierbij om aan de pandnemer alle vorderingen te verpanden die hij op derden heeft of zal hebben, uit hoofde van geleverde goederen, verrichte diensten, geleende gelden, provisies of uit welken hoofde ook, hierna te noemen ‘de vorderingen’.”

So far so good…

Echter, in aanvulling op de (algemene) verpandingsclausule is de navolgende bepaling in de akte opgenomen:   

“De verpanding zal geschieden door middel van daartoe door pandnemer vastgestelde formulieren, danwel andere documenten ten genoege van pandnemer waaruit van de verpanding aan pandnemer blijkt.”

De pandlijsten worden netjes door pandgever aan pandhouder aangereikt. Het betreft een lijst van 155 pagina’s waarop de vorderingen van pandgever concreet zijn benoemd. Deze pandlijsten worden geregistreerd door de pandhouder. 

Op de pandlijsten komt een vordering van pandgever op X niet voor. Deze vordering bestond op het moment van registratie wel, althans bestond in ieder geval de rechtsverhouding waaruit de vordering is voortgevloeid.   

Op enig moment gaat de pandgever failliet. De curator is van mening dat de vordering op X niet verpand is, terwijl de pandgever en de pandhouder beide stellen dat het de uitdrukkelijke bedoeling van hen is geweest om deze vordering (ook) te verpanden, ondanks dat deze mogelijk niet op de pandlijsten opgenomen is. Pandhouder verwijst daarbij tevens naar de algemene verpandingsclausule.    

De vraag is nu of de vordering op X wel of niet verpand is? Louter afgaande op de stampandakte met algemene verpandingsclausule zou het antwoord ja zijn, maar u heeft de titel van deze bijdrage gelezen en u zult waarschijnlijk reeds vermoeden dat het antwoord op de vraag ‘nee’ zal zijn. 

De Rechtbank was van mening dat de vordering op X rechtsgeldig was verpand. In hoger beroep heeft het Gerechtshof echter geoordeeld dat de geregistreerde pandlijsten, waarop de te verpanden vorderingen expliciet zijn vermeld, leidend zijn voor de bepaalbaarheid van de omvang van het verpande. Daarmee oordeelde het Gerechtshof dat de vordering op X, nu deze niet op de lijst stond, niet verpand was.

De Hoge Raad laat dit oordeel in stand en voegt eraan toe dat het Gerechtshof bij de beoordeling van het bepaalbaarheidsvereiste een maatstaf hanteert die door zijn absolute karakter strenger is dan de maatstaf welke in beginsel (op basis van de vaste rechtspraak) geldt voor de bepaalbaarheid, namelijk dat de pandakte zodanige gegevens dient te bevatten dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat. De Hoge Raad acht echter dat het Gerechtshof de maatstaf in de concrete situatie juist heeft gehanteerd, door te concluderen dat uit de pandakte (lees: de pandlijsten) niet kan worden afgeleid dat de vordering op X onder het pandrecht valt. De Hoge Raad oordeelt daarnaast dat het Gerechtshof terecht voorbij is gegaan aan de stelling van pandgever en pandhouder dat het beoogd was om de vordering op X te verpanden, omdat het bepaalbaarheidsvereiste ingevuld dient te worden door hetgeen daadwerkelijk in de akte is opgenomen en niet door de partijbedoeling. 

Uit voorgaande blijkt maar weer eens dat het niet altijd goed is om het verpandingsobject (in dit geval de vorderingen) nader te specificeren. Had in de pandakte namelijk gestaan dat deze strekte tot het verpanden van alle reeds bestaande vorderingen van pandgever en van alle vorderingen die pandgever verkrijgt uit hoofde van een reeds bestaande rechtsverhouding, zonder dat er een lijst was aangehecht, was de vordering op X wel verpand geweest.

Mijn ervaring is, met name bij zekerheidsdocumentatie, dat partijen geneigd zijn om het verpandingsobject zo nauwkeurig mogelijk te specificeren. Dit lijkt verstandig, maar is het niet. Houd de omschrijving zo ruim mogelijk, zodat uw vordering op X wel verpand is!

Bij vragen over deze bijdrage kunt u contact opnemen met mr. Roy Bongers.

Roy Bongers

Roy Bongers

Roy Bongers is in 2006 afgestudeerd aan de Universiteit Maastricht, met als vakthematische (afstudeer)richting privaatrecht. Na een korte periode in de advocatuur, heeft hij in de jaren 2007 tot en met 2009 bij grote pensioenverzekeraars en bedrijfstakpensioenfondsen de functie van pensioenjurist / pensioenspecialist vervuld.