Quincy Promes en artikel 149 Rv

De casus is bekend. Promes – voetballer en in die hoedanigheid ook ex-speler van het Nederlands nationaal voetbalelftal – steekt zijn neef neer op een familiefeest in 2020. In 2023 heeft de Rechtbank Amsterdam Promes onder meer veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf wegens zware mishandeling. Voordien in 2021 heeft de neef een civiele schadevergoedingsprocedure gestart jegens Promes. In deze procedure vordert de neef een verklaring voor recht dat Promes onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld in combinatie met een veroordeling tot betaling van schadevergoeding onder verwijzing naar de schadestaatprocedure. Zowel de rechtbank als het Hof Amsterdam hebben de vorderingen van de neef toegewezen.

Promes heeft cassatie ingesteld tegen het oordeel van het Hof Amsterdam. De achtergrond daarvan is dat Promes ten tijde van de civiele procedure tevens een ontkennende verdachte was in een strafzaak (waarin op dat moment dus geen vonnis was gewezen). Het zou van Promes als verdachte in die strafzaak niet gevergd kunnen worden stellingen in de civiele procedure gemotiveerd te betwisten aangezien dit ten nadele van hem als verdachte zou kunnen werken. Reeds daarom zou het Hof feiten en omstandigheden niet als onvoldoende betwist als vaststaand mogen aannemen. Dit zou in strijd zijn met het strafrechtelijk beginsel van de onschuldpresumptie (artikel 6 lid 2 EVRM) en het zogenaamde nemo tenetur-beginsel. Het uitgangspunt dat een verdachte niet gedwongen mag worden medewerking te verlenen aan zijn eigen veroordeling.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van Promes. De uitspraak is hier te lezen. In cassatie gaat de Hoge Raad allereerst in op het bepaalde in artikel 149 Rv. Dit artikel bepaalt dat de rechter de feiten die de eiser aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd en die de gedaagde niet of niet voldoende heeft betwist, als vaststaand moet beschouwen. De door de eiser gestelde feiten behoeven dan geen bewijs. Het betreffende artikel mag zich sinds de invoering van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht overigens in toenemende belangstelling verheugen. Artikel 111 lid 2 sub m bepaalt sinds 1 januari 2025 dat in de aanzeggingen van de dagvaarding, de gedaagde aangezegd moet worden dat de in artikel 149 Rv genoemde rechtsgevolgen intreden indien de in de dagvaarding gestelde feiten en rechten door de gedaagde niet of onvoldoende worden betwist.

De Hoge Raad oordeelt dat artikel 149 Rv (vanzelfsprekend) ook van toepassing is op schadevergoedingsvorderingen ter zake van een feitencomplex waarover ook een strafzaak tegen de gedaagde aanhangig is. Dit uitgangspunt is volgens de Hoge Raad niet in strijd met in het artikel 6 EVRM neergelegde recht op een eerlijk proces. Wel oordeelt de Hoge Raad dat de rechter bij de beoordeling of de gedaagde de stellingen van de eiser voldoende heeft betwist, met de positie van de gedaagde als verdachte in het strafproces rekening kan houden. De (ontkennende) verdachte in een parallelle strafzaak kan zodoende dus niet volstaan met een algemene betwisting in civiele zaken gebaseerd op eenzelfde feitencomplex.

De advocaten van Aben & Slag Advocaten beschikken over ruime processuele ervaring. Heeft u aangaande dit onderwerp vragen dan kunt u contact opnemen met mr. Marc Rooijen: 0495 536 138 of mrooijen@abenslag.nl

Deeplink uitspraak: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:796

Marc Rooijen

Marc Rooijen voltooide de Master opleidingen Civiel recht en Togamaster aan de Universiteit Maastricht. Met ingang van 1 september 2009 is Marc in dienst bij Aben & Slag Advocaten. Hij houdt zich in hoofdzaak bezig met het procederen voor en het adviseren van commerciële partijen en overheden.

Nieuws categorieën