Jaarlijks worden er voor vele miljoenen euro’s aan ladingdiefstallen gerapporteerd. De vraag is nu hoe te handelen in geval van een ladingdiefstal. Er zijn twee verschillende perspectieven: die van de transporteur en van de ladingbelanghebbende.
De transporteur heeft een logisch belang en dat is de aansprakelijkheid voor de schade zoveel als mogelijk beperken. Vaststaat bij een ladingdiefstal de transporteur niet heeft voldaan aan zijn kernverplichting te weten het transport en aflevering van de vracht (“goed erin en goed eruit”). Het is echter niet zo dat een transporteur bij een ladingdiefstal onbeperkt aansprakelijk is. Dit is met name aan de orde als de transporteur zelf betrokken is bij de diefstal of een ondervervoerder inschakelt die betrokken is bij de diefstal. Voor de transporteur is het zaak om via de rechter een beperking van aansprakelijkheid af te dwingen. De ladingbelanghebbende kan bij vermoeden van betrokkenheid bij de diefstal van de transporteur of diens ondergeschikten gebruik maken van de verzwaarde motiveringsplicht van de transporteur als er een beroep wordt gedaan op opzet of bewuste roekeloosheid. De transporteur moet openheid van zaken geven. Het is immers de transporteur die de meeste wetenschap zal hebben van de feitelijke uitvoering van het transport.
De ladingbelanghebbende blijft ook bij een vermoeden van diefstal een zware bewijspositie houden, maar is niet kansloos als de transporteur geen openheid van zaken geeft. Wel kan een ladingbelanghebbende onder nationaal Nederlands recht geconfronteerd worden met een eigen schuld verweer.

