Een beroep op eigen schuld via het Nederlands recht (artikel 6:101 BW) is bij aansprakelijkheid van de transporteur onder het CMR-Verdrag weinig kansrijk. Dit oordeelde recent wederom de Rechtbank Limburg (ECLI:NL:RBLIM:2026:2836) in een uitspraak waarin zij exclusiviteit toekent aan het dwingendrechtelijke CMR-Verdrag en het Nederlands recht geen verdere rol van betekenis gunt:
“Onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 januari 2026, (ECLI:NL:RBROT:2026:352) is de rechtbank van oordeel dat de CMR dwingendrechtelijk van toepassing (artikel 41 CMR). Nederlands recht is daarop alleen aanvullend van toepassing. In hoofdstuk IV CMR (en specifiek in artikel 17 leden 2, 4 en 5 en artikel 23 lid 3 CMR) zijn verschillende bepalingen opgenomen over de toerekenbaarheid, beperking van aansprakelijkheid en het mitigeren van aansprakelijkheid naar rato van (eigen) schuld van de afzender en/of geadresseerde of personen die voor rekening van de afzender of geadresseerde handelen. Dat brengt met zich mee dat bepalingen daarover uit het Nederlandse BW, waaronder artikel 6:101 BW, niet van toepassing zijn, omdat dit dwingendrechtelijk door het CMR wordt geregeld.”
De Rechtbank Rotterdam oordeelde eerder al in gelijke zin (ECLI:NL:RBROT:2026:352):
“De CMR is dwingendrechtelijk van toepassing (artikel 41 CMR). Nederlands recht (of ingeval van [gedaagde] Portugees recht) is daarop alleen aanvullend van toepassing (zie 5.3). In hoofdstuk IV CMR (en specifiek in artikel 17 leden 2, 4 en 5 en artikel 23 lid 3 CMR) zijn verschillende bepalingen opgenomen over de toerekenbaarheid, beperking van aansprakelijkheid en het mitigeren van aansprakelijkheid naar rato van (eigen) schuld van de afzender en/of geadresseerde of personen die voor rekening van de afzender of geadresseerde handelen. Dat brengt met zich mee dat bepalingen daarover uit het Nederlandse BW (of het Portugese civiele recht), waaronder artikel 6:101 BW, niet van toepassing zijn, omdat dit dwingendrechtelijk door het CMR wordt geregeld.”

