Eerste uitspraak van de Hoge Raad over ontbinding op de i-grond

In een recente uitspraak heeft de Hoge Raad zich voor het eerst uitgesproken over ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de zogenoemde i-grond (cumulatiegrond). Centraal stond de vraag of het gerechtshof terecht had geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst kon worden ontbonden op de i-grond. De Hoge Raad oordeelde van niet en stelt het hof op meerdere punten in het ongelijk. In dit blog bespreken we de feiten, de juridische beoordeling en de gevolgen van deze uitspraak.

Feiten en procesverloop

De werknemer was sinds 2018 werkzaam bij zijn werkgever als image processing developer. In december 2022 meldde hij zich ziek en vertrok vervolgens op vakantie naar Iran, waar hij zonder toestemming op afstand wilde werken. Ook nam hij zonder toestemming bedrijfsmateriaal (een camera) mee naar Iran en keerde hij niet tijdig terug, ondanks verzoeken en waarschuwingen van de werkgever. Bovendien verscheen hij niet op een gepland gesprek en leverde hij onvoldoende bewijs van zijn arbeidsongeschiktheid. Uiteindelijk werd hij op 30 januari 2023 op staande voet ontslagen vanwege onder meer onrechtmatige afwezigheid, zonder toestemming op afstand werken, het niet terugbrengen van de camera en het negeren van instructies.

De werknemer verzocht vernietiging van het ontslag op staande voet. De kantonrechter vernietigde het ontslag op staande voet, maar ontbond de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever alsnog op de e-grond (verwijtbaar handelen). Het gerechtshof ging daar niet in mee en vond noch de e-grond noch de g-grond (verstoorde arbeidsverhouding) toereikend. Wel oordeelde het hof dat de i-grond (een combinatie van onvoldragen e- en g-grond) voldoende was voor ontbinding. Het hof kende hierbij geen aanvullende vergoeding toe op grond van artikel 7:671b lid 8 BW, die door de werknemer in eerste aanleg was gevorderd. Ook ging het hof niet in op de herplaatsingsplicht van de werkgever. De werknemer ging tegen deze uitspraak in cassatie.

Oordeel van de Hoge Raad

Naar aanleiding van het cassatieberoep stelt de Hoge Raad het gerechtshof op de volgende punten in het ongelijk:

  1. Herplaatsingsplicht ten onrechte niet beoordeeld: Ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de i-grond is alleen mogelijk als is voldaan aan de voorwaarden van artikel 7:669 lid 1 BW. Dit houdt onder meer in dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Volgens de Hoge Raad heeft het hof dit essentiële onderdeel ten onrechte volledig onbesproken gelaten.
  1. Onvoldoende motivering van ‘enig verwijtbaar handelen’: Het hof oordeelde dat de werknemer niet ernstig verwijtbaar had gehandeld, waardoor er geen sprake was van ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de e-grond. Tegelijkertijd stelde het hof dat er wel sprake was van ‘enig verwijtbaar handelen’ door de werknemer, wat ontbinding op de i-grond zou ondersteunen. De Hoge Raad acht echter niet duidelijk, en derhalve onvoldoende gemotiveerd, welk specifiek verwijtbaar gedrag volgens het hof de toepassing van de i-grond rechtvaardigt.
  1. Verzoek om aanvullende vergoeding ex art. 7:671b lid 8 BW ten onrechte buiten beschouwing gelaten: De werknemer had in eerste aanleg gevraagd om een aanvullende vergoeding bij ontbinding op de i-grond, zoals bedoeld in artikel 7:671b lid 8 BW. De kantonrechter heeft dit verzoek echter niet behandeld, omdat hij de arbeidsovereenkomst ontbond op de e-grond. Volgens het hof was deze vergoeding in hoger beroep niet opnieuw verzocht en daarom niet meer aan de orde. De Hoge Raad acht dit onjuist, omdat het hof door de devolutieve werking van het hoger beroep alsnog over dit verzoek had moeten oordelen. Bovendien had het hof de vergoeding ook ambtshalve kunnen toekennen.
  1. Werkgever had gelegenheid moeten krijgen om het ontbindingsverzoek in te trekken bij ambtshalve toepassing van de i-grond en toekenning aanvullende vergoeding: De rechter mag de i-grond en de bijbehorende aanvullende vergoeding ambtshalve toepassen, ook als de werknemer hier niet om heeft verzocht. Wanneer de rechter voornemens is op de i-grond te ontbinden en een aanvullende vergoeding toe te kennen, moet hij partijen daarvan op de hoogte stellen en de werkgever de gelegenheid bieden om het ontbindingsverzoek in te trekken. Dit geldt ook in hoger beroep: zowel wanneer het ontbindingsverzoek in eerste aanleg is afgewezen, als wanneer het hof de arbeidsovereenkomst alsnog op de i-grond wil ontbinden terwijl de kantonrechter in eerste aanleg op een andere ontslaggrond heeft ontbonden. Maakt de werkgever van die mogelijkheid gebruik, dan kan het hof de arbeidsovereenkomst herstellen of een billijke vergoeding toekennen op basis van art. 7:683 lid 3 BW. Volgens de Hoge Raad is de werkgever ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld het ontbindingsverzoek in te trekken.

Belang voor de praktijk

Deze uitspraak benadrukt dat zorgvuldig moet worden omgegaan met een ontslag op staande voet c.q. ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Bij een ontbinding dient telkens strikt te worden getoetst aan de vereisten van artikel 7:669 BW, waarbij de ontslaggrond voldoende moet worden gemotiveerd en ook de herplaatsingsplicht zorgvuldig moet worden beoordeeld. Daarnaast dient men alert te zijn op de devolutieve werking van het hoger beroep: in casu had het hof het verzoek om een aanvullende vergoeding opnieuw moeten beoordelen. Los daarvan had het hof de vergoeding ook ambtshalve kunnen toekennen. Bovendien volgt uit deze uitspraak dat de rechter, wanneer hij voornemens is ambtshalve op de i-grond te ontbinden en een aanvullende vergoeding toe te kennen, de werkgever de gelegenheid moet geven het ontbindingsverzoek in te trekken. Al met al onderstreept deze uitspraak het belang van zorgvuldigheid en motivering bij ontslagprocedures.

Heeft u vragen over dit blog of wilt u weten wat deze uitspraak betekent voor uw specifieke situatie, dan kunt u vanzelfsprekend contact met ons opnemen via 0495-536138 of info@abenslag.nl.

Rowen Vaessen

Rowen heeft haar bachelor in Rechtsgeleerdheid aan Tilburg Universiteit behaald en aansluitend de master Forensica, Criminologie en Rechtspleging aan Maastricht Universiteit afgerond. Daarnaast heeft zij met succes de masteropleidingen Handels- en Ondernemingsrecht en Privaatrecht voltooid. Rowen is sinds 2024 werkzaam bij Aben & Slag Advocaten als advocaat, waar zij zich hoofzakelijk richt op het arbeidsrecht en het familie- en erfrecht.

Nieuws categorieën