De hoge drempel voor (doorbreking) aansprakelijkheid van de transporteur in Nederland

De Nederlandse rechter kent van oudsher een vergaande bescherming toe aan de transporteur. Een beroep op beperking van aansprakelijkheid wordt zeer vaak gehonoreerd. Nederland is dan ook vaak een geliefd land voor aansprakelijk gestelde transporteurs. In dit artikel lichten wij dit toe.

De CMR voorziet in een aansprakelijkheid van de vervoerder in geval van schade aan of verlies van goederen of vertraging in de aflevering daarvan, ontstaan tussen het ogenblik van de inontvangstneming van de goederen en het ogenblik van de aflevering (art. 17 lid 1 CMR). De vervoerder staat evenwel een beroep op overmacht open (art. 17 lid 2 CMR). Zo de vervoerder aansprakelijk is, kan hij zijn aansprakelijkheid in beginsel beperken (art. 23 CMR). Art. 29 CMR bepaalt o.m. wanneer een beroep op beperking van aansprakelijkheid niet kan worden gedaan:

‘1. De vervoerder heeft niet het recht om zich te beroepen op de bepalingen van dit hoofdstuk, die zijn aansprakelijkheid uitsluiten of beperken of die de bewijslast omkeren, indien de schade voortspruit uit zijn opzet of uit schuld zijnerzijds, welke volgens de wet van het gerecht, waar de vordering aanhangig is, met opzet gelijkgesteld wordt.

2. Hetzelfde geldt bij opzet of schuld van de ondergeschikten van de vervoerder of van alle andere personen, van wier diensten hij voor de bewerkstelliging van het vervoer gebruik maakt, wanneer deze ondergeschikten of deze andere personen handelen in de uitoefening van hun werkzaamheden. In dat geval hebben deze ondergeschikten of andere personen eveneens niet het recht om zich, voor wat hun persoonlijke aansprakelijkheid betreft, te beroepen op de bepalingen van dit hoofdstuk, als omschreven in het eerste lid’.

Verder bepaalt art. 3 CMR – kort gezegd – dat de vervoerder aansprakelijk is voor handelen en nalaten van zijn ondergeschikten en hulppersonen, wanneer deze ondergeschikten of deze personen handelen in de uitoefening van hun werkzaamheden.

Wanneer zijn er nu gronden om de aansprakelijkheid te doorbreken? Deze vraag moet worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf van art. 29 lid 1 CMR jo. art. 8:1108 lid 1 BW. Het criterium voor de ‘met opzet gelijk te stellen schuld’ in de zin van art. 29 CMR is voor het Nederlandse recht opgenomen in art. 8:1108 lid 1 BW. Deze bepaling luidt als volgt:

‘De vervoerder kan zich niet beroepen op enige beperking van zijn aansprakelijkheid, voor zover de schade is ontstaan uit zijn eigen handelen of nalaten, geschied hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.’

De Hoge Raad heeft aan deze maatstaf nader invulling gegeven in de zogenaamde ‘5 januari’-arresten (HR 5 januari 2001, NJ 2001/391 en NJ 2001/392 m.nt. K.F. Haak) Daarin heeft de Hoge Raad overwogen dat van roekeloos gedrag met de wetenschap dat de schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien sprake is wanneer degene die zich aldus gedraagt het aan de gedraging verbonden gevaar kent en zich ervan bewust is dat de kans dat het gevaar zich zal verwezenlijken aanzienlijk groter is dan de kans dat dit niet zal gebeuren, maar zich door een en ander niet van dit gedrag laat weerhouden. Er moet met andere woorden sprake zijn van bewuste roekeloosheid. Dit is sindsdien vaste rechtspraak.

Het door de Hoge Raad geformuleerde criterium bestaat uit drie elementen. Het eerste element houdt in dat aan de gedraging gevaar verbonden is, waarbij de kans dat dit gevaar zich zal verwezenlijken, aanzienlijk groter is dan de kans dat dit niet zal gebeuren. Dit is een objectief element: beslissend is of – naar de ervaring leert – het gestelde gedrag in de gegeven omstandigheden gevaarlijk is en of – naar de ervaring leert – de kans dat het gevaar zich in de gegeven omstandigheden zal verwezenlijken aanzienlijk groter is dan dat dit niet gebeurt. Het tweede (en subjectieve) element is dat degene die handelt of nalaat het aan zijn gedrag verbonden gevaar kent en zich ervan bewust is dat de kans dat schade optreedt aanzienlijk groter is dan de kans dat schade uitblijft. Het derde element kwalificeert het gedrag als roekeloos in die zin dat de kennis van het aan het gedrag verbonden gevaar en het zich bewust zijn dat de kans op schade aanzienlijk groter is dan de kans dat de schade zal uitblijven, degene die handelde niet van zijn gedrag hebben weerhouden. Het eerste element van de maatstaf vormt tevens een drempelvoorwaarde, omdat wanneer er geen sprake is van gevaar of het gevaar niet van dien aard is dat de kans op schade aanzienlijk groter is dan de kans dat schade uitblijft, niet aan de andere twee elementen van de maatstaf wordt toegekomen. Of aan de drempelvoorwaarde is voldaan wordt bepaald aan de hand van puur objectieve omstandigheden en bevat een element van kansberekening. Tevens wordt in lagere rechtspraak en literatuur aangenomen dat – in sprekende omstandigheden – subjectieve wetenschap kan worden afgeleid uit gedragingen van de vervoerder. Daartoe staan de rechter diverse procesrechtelijke instrumenten ten dienste, zoals de constructie van het voorshands bewezen achten dat de vervoerder opzet of met opzet gelijk te stellen schuld valt te verwijten, behoudens door de vervoerder te leveren tegenbewijs en de verzwaarde stelplicht van de vervoerder omtrent de omstandigheden waaronder de schade zich heeft voorgedaan. Uit het arrest van de Hoge Raad van 29 mei 2009 kan worden afgeleid dat indien wordt aangenomen dat de vervoerder subjectieve wetenschap heeft, impliciet moet worden aangenomen dat ook aan de drempelvoorwaarde is voldaan.

De door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf heeft de processuele positie van ladingbelanghebbenden verzwaard. Het is voor een ladingbelanghebbende immers al zeer moeilijk – zo niet onmogelijk – te bewijzen dat een vervoerder/chauffeur zich op het moment van handelen van een bepaald gevaar bewust was, laat staan dat de vervoerder/chauffeur zich ervan bewust was dat de kans dat het gevaar zich zou verwezenlijken aanzienlijk groter was dan de kans dat dit niet zou gebeuren. Zolang de vervoerder meende dat hij voldoende maatregelen nam ter voorkoming van verwezenlijking van het gevaar, zal niet snel kunnen worden aangetoond dat hij zich ervan bewust was dat uit zijn handelwijze de schade waarschijnlijk zou voortvloeien. Daarmee lijkt de mogelijkheid om te komen tot doorbraak van aansprakelijkheid beperkt tot gevallen waarin de oorzaak van het verlies of de schade onduidelijk is en de vervoerder om die reden geconfronteerd wordt met de procesrechtelijke gevolgen van de verzwaarde bewijslast, alsmede met opzet, zoals diefstal door ondergeschikten. In andere gevallen kan het handelen wellicht als onvoldoende, naïef of roekeloos worden gekwalificeerd, maar gezien de opvatting van de Hoge Raad is dat op zichzelf beschouwd onvoldoende om bewust roekeloos te zijn.

In de Nederlandse rechtspraak is slechts een handvol uitspraken beschikbaar waarin wel werd geoordeeld dat er gronden aanwezig waren voor doorbreking van de aansprakelijkheidslimiet. Conclusie is aldus dat een transporteur die te maken krijgt met een dreigende aansprakelijkstelling spoedig de bevoegdheid van een Nederlandse rechtbank moet onderzoeken.

Marc Rooijen

Marc Rooijen voltooide de Master opleidingen Civiel recht en Togamaster aan de Universiteit Maastricht. Met ingang van 1 september 2009 is Marc in dienst bij Aben & Slag Advocaten. Hij houdt zich in hoofdzaak bezig met het procederen voor en het adviseren van commerciële partijen en overheden.

Nieuws categorieën