In een recente uitspraak van het gerechtshof Amsterdam is een billijke vergoeding van € 260.000 toegekend na de ontbinding van een arbeidsovereenkomst. In deze zaak gaat het om een werknemer met meer dan 25 jaar dienstverband, wiens arbeidsovereenkomst is ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding. In dit blog bespreken we de feiten, de juridische beoordeling en de gevolgen van deze uitspraak.
De feiten
De werknemer was sinds 1998 in dienst bij de werkgever, aanvankelijk als opbouwmedewerker en later als teamleider. In de loop der jaren namen de verantwoordelijkheden van de werknemer toe. Zo startte hij in 2017 met leidinggeven aan een tweede team. Een jaar later ontving de werkgever klachten van beide teams over de werknemer, met name over de werkdruk en problemen in de communicatie. Hoewel in 2019 coaching werd ingezet om de situatie te verbeteren, ontving de werkgever in oktober 2021 tijdens de vakantie van de werknemer opnieuw soortgelijke klachten.
Kort daarna liet de werkgever de werknemer weten dat hij zijn functie als teamleider niet langer kon voortzetten. In december 2021 werd de werknemer vrijgesteld van werkzaamheden, waarna hij zich ziek meldde. Na bijna een jaar arbeidsongeschiktheid adviseerde de bedrijfsarts om de werkverhouding met enkele collega’s te herstellen, maar de werkgever negeerde dit advies. Het UWV stelde vervolgens in een deskundigenoordeel vast dat de werkgever haar re-integratieverplichtingen niet was nagekomen. In maart 2023 begon de werknemer geleidelijk met zijn werkhervatting, wat negatieve reacties van collega’s opleverde. De werkgever besloot daarom aan te sturen op ontslag en verzocht de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
Beoordeling door de kantonrechter
De werkgever verzocht in eerste aanleg om ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van disfunctioneren, subsidiair een verstoorde arbeidsverhouding en meer subsidiair een combinatie van beide gronden. De kantonrechter heeft geoordeeld dat er geen sprake was van disfunctioneren, onder meer omdat de werknemer geen kans is geboden zijn functioneren te verbeteren. Volgens de kantonrechter was er wel sprake van een verstoorde arbeidsverhouding. De kantonrechter overwoog dat sprake was van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van de werkgever, welk handelen de verstoring en zodoende ook het einde van de arbeidsovereenkomst tot gevolg heeft gehad.
Bij de ontbinding kende de kantonrechter een billijke vergoeding van € 60.000 bruto toe, waarbij de kantonrechter in aanmerking heeft genomen het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, de lengte van het dienstverband en de verwachting dat het dienstverband nog lang had geduurd nu er niet direct een reden was om te beëindigen. De werkgever kon zich hier echter niet in vinden en stelde hoger beroep in.
Beoordeling door het gerechtshof
In hoger beroep heeft het gerechtshof bevestigd dat de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat de verstoorde arbeidsverhouding aan haar moet worden toegerekend. Het hof benadrukte dat de kritiek op de werknemer niet tijdig en structureel met hem is besproken en dat hem geen verbetertraject is aangeboden. Daardoor is er geen reële kans op verbetering geweest. Daarnaast heeft de werkgever niet voldaan aan haar re-integratieverplichtingen. Ook schoot de werkgever tekort in haar verantwoordelijkheid door geen onafhankelijk feitenonderzoek uit te voeren naar de geuite klachten van collega’s en onvoldoende zorg te dragen voor een zorgvuldig mediationproces. Bovendien blijkt uit de stukken dat de kritiek op de werknemer deels voortkomt uit langdurige klachten over een te hoge werkdruk, waarvoor de werkgever primair verantwoordelijk is. In plaats van deze structurele problematiek aan te pakken, heeft de werkgever de gevolgen volledig bij de werknemer neergelegd en zijn functioneren onterecht als oorzaak van de problemen bestempeld.
Het gerechtshof achtte een hogere billijke vergoeding passend, gezien de beperkte toekomstige arbeidsmogelijkheden van de werknemer. Hierbij woog het hof mee dat de werknemer 53 jaar oud is, geen diploma’s heeft en geen positief getuigschrift zal ontvangen. Het hof berekende het inkomensverlies van de werknemer op 20%, wat neerkomt op € 240.000 bruto. Daarnaast kende het hof € 20.000 bruto toe als compensatie voor het ernstig verwijtbare handelen van de werkgever. In totaal werd de billijke vergoeding vastgesteld op € 260.000 bruto.
Tot slot
Deze uitspraak benadrukt dat werkgevers zorgvuldig moeten omgaan met kritiek op werknemers en hen een eerlijke kans op verbetering dienen te bieden, bijvoorbeeld via een verbetertraject. Daarnaast onderstreept het hof het belang van een juiste re-integratieaanpak en een zorgvuldig mediationproces. Het niet naleven van deze verplichtingen kan als ernstig verwijtbaar handelen worden aangemerkt, met mogelijk aanzienlijke financiële consequenties tot gevolg.
Heeft u vragen over dit blog of wilt u weten wat dit arrest betekent voor uw specifieke situatie, dan kunt u vanzelfsprekend contact met ons opnemen via 0495-536138 of sierssel@abenslag.nl.

