Bewijs van geldlening en tegenbewijs

Wie draagt het bewijs van het bestaan van een overeenkomst van geldlening? En is daartegen tegenbewijs toegelaten? De Hoge Raad gaat in zijn arrest van 11 juli 2025 in op deze aspecten. Het arrest is hier te lezen.

Casus

De casus is eenvoudig. De ouders van een vrouw stellen aan die vrouw ter beschikking een bedrag van EUR 40.000,-. De vrouw gaat enige tijd nadien een geregistreerd partnerschap aan met de man. De vrouw komt te overlijden, de man aanvaardt de erfenis en de ouders van de vrouw, eisen het geldbedrag terug van de man als rechtsopvolger onder algemene titel. De ouders stellen dat er sprake is van een overeenkomst van geldlening. De man betwist dit en stelt dat er sprake is van een schenking. Dit zijn twee diametraal tegenover elkaar staande stellingen.

Rechtbank en Hof

Zowel Rechtbank en Hof oordelen dat er sprake is van een overeenkomst van geldlening. De stelplicht en de bewijslast dat er sprake is van een overeenkomst van geldlening rusten op de ouders, dit conform de vaste stelregel van artikel 150 Rv. Het Hof oordeelt vervolgens dat er tussen de ouders en de vrouw een overeenkomst van geldlening is opgemaakt en die is door alle partijen getekend. De wet is dan duidelijk: er is dan sprake van een onderhandse akte en die onderhandse akte levert tussen partijen dwingend bewijs op (artikel 157 lid 2 Rv). Dit artikellid maakt eveneens duidelijk dat onder het begrip partij ook moet worden verstaan de rechtsopvolger (in casu) onder algemene titel.

Cassatie

In cassatie klaagt de man erover dat het Hof ten onrechte diens aanbod tot het leveren van tegenbewijs niet heeft toegestaan. In hoger beroep had de man immers tegenbewijs aangeboden gericht op het ontzenuwen van het dwingend bewijs (hetgeen ook uit de wet volgt: artikel 151 lid 2 Rv). De man wenste twee getuigen te horen, de ex-man van de vrouw en de hypotheekadviseur van de vrouw, die ook al eerder een schriftelijke verklaring hadden afgelegd. Het Hof passeerde dit bewijsaanbod door vooruit te lopen op hetgeen de getuigen (aanvullend) zouden kunnen verklaren mede gezien het gegeven dat zowel de ex-man als de hypotheekadviseur niet aanwezig waren bij het maken van de afspraken.

De Hoge Raad stelt de man in het gelijk en vernietigt het arrest van het Hof. De man had toegelaten moeten worden tot het leveren van tegenbewijs. Dat is een wettelijk recht en de Hoge Raad bepaalde reeds in eerdere arresten dat het aanbod tot het leveren van tegenbewijs niet behoeft te worden gespecificeerd (zie: Zie onder meer HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:726, rov. 3.5.2 (slot), HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2320, rov. 3.5.2 en HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9860, rov. 3.4.3.). Zo hoefde de man dus niet duidelijk te maken of en wat de voorgestelde getuigen nog zouden kunnen verklaren los of naast de eerdere schriftelijke verklaringen.

Voorts had het Hof ten onrechte reeds een waardering gegeven van de uitkomst van een eventueel getuigenverhoor, het zogenaamde prognoseverbod. Dat was niet toegestaan. De rechter mag bij het beoordelen van een aanbod tot (tegen)bewijs niet vooruitlopen op de uitkomst van een bewijslevering die nog plaats moeten vinden (zie: onder meer HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:726, rov. 3.5.2 (voorlaatste alinea), HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6508, rov. 4.1.6 en HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817, rov. 3.6.).

Interessant is ook nog de overweging die de Hoge Raad wijdt aan de stelling van het Hof dat de getuigen niets aan het bewijs konden bijdragen omdat zij niet betrokken waren bij het maken van de afspraken. De Hoge Raad benadrukt dat bewijslevering plaats kan hebben in brede zin. Ook een getuigenverklaring “van horen zeggen” – dus geen directe eigen waarneming – of een indruk van een getuige omtrent een gebeurtenis waar hij zelf niet bij aanwezig was, kan immers bijdragen aan bewijs (vergelijk: HR 17 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9446, rov. 3.2, HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5352, rov. 3.5, HR 24 december 1976, ECLI:NL:HR:1976:AC5857 en HR 1 mei 1970, ECLI:NL:HR:1970:AB6706).

De zaak is door de Hoge Raad verwezen naar het Hof ’s-Hertogenbosch. Het arrest illustreert de complexiteit van de formele regels omtrent stelplicht en bewijslast. In deze zaak betrof het de klassieke tegenstelling tussen schenking en lening, maar ook de bewijslastverdeling bij bijvoorbeeld opschortende en ontbindende voorwaarden, blijft complex. Het procesrecht is geen sinecure. Een foute processtrategie kan onbedoeld zorgen voor verschuiving van bewijslast en -risico! U kunt voor nadere informatie of advies contact opnemen met mr. Marc Rooijen: mrooijen@abenslag.nl of 0495 536 138.

Marc Rooijen

Marc Rooijen voltooide de Master opleidingen Civiel recht en Togamaster aan de Universiteit Maastricht. Met ingang van 1 september 2009 is Marc in dienst bij Aben & Slag Advocaten. Hij houdt zich in hoofdzaak bezig met het procederen voor en het adviseren van commerciële partijen en overheden.

Nieuws categorieën