Amerikaanse toestanden in het bewijsrecht?

Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht treedt in werking per 1 januari 2025.. Met dit wetsvoorstel wordt het bewijsrecht in civiele procedures gemoderniseerd en efficiënter en effectiever gemaakt. Het wetsvoorstel is door zowel de Tweede als de Eerste Kamer aangenomen. In dit blog worden de belangrijkste wetswijzigingen besproken.

De vereenvoudiging en modernisering van het bewijsrecht beoogt bij te dragen aan een efficiënt verloop van civiele procedures. De vernieuwingen beogen de rechter meer ruimte te bieden om regie te voeren en verruimen de mogelijkheden van partijen/de rechter op de mondelinge behandeling. Uitgangspunt is dat de rechter na de mondelinge behandeling uitspraak zal kunnen doen. Daarvoor heeft de echter wel alle informatie nodig van partijen, zoveel als mogelijk. Dit wetsvoorstel heeft tot doel de mogelijkheden voor het verzamelen van informatie en bewijsmateriaal voorafgaand en tijdens de procedure te versimpelen en te verbeteren.

Vroegtijdige informatie- en bewijsverzameling

De waarheids- en volledigheidsplicht van artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt aangevuld. Op grond van het voorgestelde tweede lid zijn partijen bij een geschil gehouden om de informatie die van belang is voor de toewijzing van de vordering of het verzoek door de rechter of voor het slagen van het verweer tegen de vordering of het verzoek, zo veel mogelijk te verzamelen voordat een zaak aan de rechter wordt voorgelegd. In het wetsvoorstel wordt wel opgemerkt dat de mate waarin de informatiegaring en bewijsverzameling voorafgaand aan een procedure moet plaatsvinden, niet in algemene zin valt te omlijnen. Om ervoor te zorgen dat partijen genoeg informatie verzamelen, maar daarbij aan partijen geen onredelijke eisen worden gesteld en zij veel kosten moeten maken, wordt voorgesteld om de verplichting tot informatiegaring en bewijsverzameling voorafgaand aan een procedure nader in te vullen met een dubbele redelijkheidstoets. Dat houdt in dat van een partij die gaat procederen, mag worden verwacht dat zij die gegevens in het geding overlegt (i) waarover zij in de voorfase van de procedure redelijkerwijs kan beschikken en (ii) waarvan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs voorzienbaar is dat die informatie relevant is voor de beoordeling van het geschil door de rechter. In het derde lid van artikel 21 wordt de sanctie op het niet voldoen aan de verplichting tot informatiegaring en bewijsverzameling opgenomen: de rechter mag de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Dit biedt de rechter de ruimte om bijvoorbeeld bepaalde feiten buiten beschouwing te laten of kan hij bij de proceskostenveroordeling rekening houden met de omstandigheid dat een partij uit strategische overwegingen bepaalde gegevens lang heeft achtergehouden.

Combineren voorlopige bewijsverrichtingen

Om bewijs te vergaren vóór de start van een (bodem)procedure heeft een partij op dit moment al verschillende mogelijkheden. Denk dan aan: voorlopig getuigenverhoor, voorlopig deskundigenbericht en een inzagevordering. Het nieuwe wetsvoorstel maakt het mogelijk om verschillende verzoeken voor voorlopige bewijsverrichtingen te combineren in één verzoek (nieuw artikel 196 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Zo gaan ook dezelfde regels gelden voor het instellen van een rechtsmiddel.

Met de mogelijkheid om verschillende bewijsverrichtingen te combineren in één verzoek, gaan ook dezelfde toetsingscriteria gelden voor de verschillende bewijsverrichtingen. In artikel 196 worden in lid 2 toetsingscriteria opgenomen in de vorm van een reeks afwijzingsgronden. Deze criteria/afwijzingsgronden zijn niet nieuw, maar afkomstig uit de rechtspraak van de Hoge Raad.

Actievere rol van de rechter

De rechter is van oudsher ‘lijdelijk’, wat inhoudt dat de rechter beslist uitsluitend op de geschilpunten die partijen zelf naar voren brengen. Met dit wetsvoorstel wordt de rol van de rechter bij de procesvoering en de waarheidsvinding actiever. In de praktijk is de rechter al steeds minder lijdelijk, maar deze wijze waarop de rechter aan de actievere rol invulling geeft verschilt nog. In het wetsvoorstel wordt hier meer duidelijkheid over gegeven. Het nieuwe artikel 24 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt verduidelijkt; de rechter kan – binnen zijn bestaande bevoegdheden en binnen de door partijen getrokken grenzen van de rechtsstrijd – ambtshalve de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering, verzoek of verweer ten grondslag hebben gelegd, met partijen bespreken. De toelichting bij het wetsvoorstel vermeldt uitdrukkelijk dat de rechter geen suggesties mag aandragen voor de grondslag van de vordering.

Bewijsbeslag

Het wetsvoorstel bevat een mogelijkheid om conservatoir beslag op bewijsmateriaal te leggen. Conservatoir bewijsbeslag is nu alleen in de wet geregeld voor zaken die gaan over intellectuele eigendomsrechten. Conservatoir bewijsbeslag voor ‘reguliere’ zaken wordt nu ook in de wet geregeld. Dit kan handig zijn voor een partij die vreest dat bepaalde informatie die zich bij een ander bevindt, wordt vernietigd of verduisterd. Het conservatoir bewijsbeslag geeft uitsluitend aanspraak op het veiligstellen van het materiaal, niet op kennisneming van de inhoud van het in beslag genomen bewijsmateriaal. Daarvoor moet een verzoek tot inzage worden gedaan, danwel een verzoek tot het gelasten van een deskundigenbericht als de in beslag genomen zaak bijvoorbeeld van belang is voor een onderzoek door een deskundige.

Getuigen oproepen door de rechter

In het nieuwe artikel 166 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt aan de rechter de mogelijkheid gegeven om door hem aangewezen personen als getuigen op te roepen. De rechter kan van deze bevoegdheid gebruikmaken voorafgaand aan de mondelinge behandeling, maar ook mag hij ambtshalve of op verzoek van een partij een getuigenverhoor op een afzonderlijke zitting bevelen.

Tot slot

Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel of over het nieuwe wetsvoorstel? Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Marc Rooijen of Fleur van Helmond.

Marc Rooijen

Marc Rooijen voltooide de Master opleidingen Civiel recht en Togamaster aan de Universiteit Maastricht. Met ingang van 1 september 2009 is Marc in dienst bij Aben & Slag Advocaten. Hij houdt zich in hoofdzaak bezig met het procederen voor en het adviseren van commerciële partijen en overheden.

Nieuws categorieën