Aanzegverplichting gevolgd, maar toch een vergoeding verschuldigd? Werkgevers opgelet!

De aanzegverplichting van de werkgever bij tijdelijke contracten is vastgelegd in artikel 7:668 van het Burgerlijk Wetboek. Deze verplichting houdt in dat een werkgever minstens één maand voor het einde van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd schriftelijk moet aangeven of het contract wordt verlengd of beëindigd. Doet de werkgever dit niet tijdig, dan heeft de werknemer recht op een aanzegvergoeding. Recentelijk heeft de rechtbank Rotterdam een uitspraak gedaan, waarbij de aanzegverplichting centraal stond.  Deze zaak benadrukt het belang van een duidelijke, actuele aanzegging voor het einde van een tijdelijk contract, zeker wanneer eerdere verlengingen plaatsvonden.

Casus

In de kwestie die voorlag bij de rechtbank Rotterdam had de werknemer drie opeenvolgende tijdelijke contracten gehad bij dezelfde werkgever. In elk contract was vermeld dat het aan het einde van de looptijd automatisch zou aflopen. De aanzegging was dus reeds bij voorbaat opgenomen in de arbeidsovereenkomst. In principe is dit toegestaan en wordt dit door rechters ook als een ‘geldige’ aanzegging gezien.

Hier waren de omstandigheden evenwel toch wat anders. Dezelfde aanzeggingsbepaling was opgenomen in drie opeenvolgende bepaalde tijd contracten. Ondanks deze bepaling werd het contract echter tweemaal verlengd, waarna de werkgever bij het derde contract aangaf dat het contract niet zou worden voortgezet. De werknemer betoogde dat deze “standaard aanzegging” in het contract niet voldoende was, zeker nu de werkgever tweemaal eerder toch had verlengd.

De rechtbank stelde de werknemer in het gelijk. De rechter oordeelde dat, hoewel de werkgever in beginsel direct bij aanvang kan aangeven dat er geen verlenging zal plaatsvinden, deze bepaling haar waarde verliest wanneer de werkgever dit patroon niet consistent doorzet. Het regelmatig verlengen van een “niet-verlengbaar” contract wekt bij de werknemer de verwachting dat verdere verlengingen mogelijk zijn. In deze context werd de aanzegvergoeding toegewezen aan de werknemer. De werkgever werd veroordeeld in de kosten van de procedure.

De rechtbank neemt in de uitspraak nog een passende vergelijking op:

“Een vergelijking dringt zich op met de fabel van Aesopus: De jongen die wolf riep. Nadat de jongen, die op de kudde met schapen moest letten, driemaal voor niets alarm had geslagen door “wolf” te roepen, kwam er de vierde keer niemand meer op zijn alarm af en zag de vader in de avond alleen nog een wolf met een dikke buik en de strooien hoed van zijn zoon, die uit de bek van de wolf stak. Vertaald naar de onderhavige zaak, waarin driemaal ‘wolf’ is geroepen door de werkgever, maar de eerste twee keer, ondanks de aanzegging op voorhand in de arbeidsovereenkomst, toch is verlengd, kan de derde keer ‘wolf’ niet meer als een serieuze aanzegging worden beschouwd.”

Conclusie en aanbeveling

Een bepaling in het contract is niet altijd voldoende; de praktijk moet hier consistent mee overeenkomen. Als er sprake is van meerdere verlengingen van contracten voor bepaalde tijd, is een schriftelijke aanzegging dus aan te raden. Dit voorkomt verwarring en juridische complicaties.

Hoe gaat u om met de aanzegverplichting? Wij denken graag mee. Bij vragen over de aanzegverplichting kunt u vanzelfsprekend contact opnemen met onze arbeidsrechtspecialisten via 0495-536138 of info@abenslag.nl.