In Ondernemingsrecht

De nieuwe Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen: wat zijn de gevolgen voor uw (vrijwilligers)organisatie?

Door Rob Geraats, geplaatst op 8 juni 2021 in Ondernemingsrecht

Op 1 juli 2021 treedt de nieuwe Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen (WBTR) in werking. Deze nieuwe wet zal de nodige gevolgen hebben voor stichtingen, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen en verenigingen.

De WBTR geeft een aantal nieuwe wettelijke regelingen voor deze rechtspersonen en vereist ook dat de statuten op sommige punten worden aangepast om in lijn te komen met de wet.

Omdat veel (vrijwilligers)organisaties juridisch gezien georganiseerd zijn als stichting of vereniging, en diverse andere organisaties als coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij, kan de WBTR dus ook de nodige gevolgen hebben voor uw organisatie. In dit stuk leest u hierover meer: Wat zijn de gevolgen, waar moet u op letten en wat zijn de voor- en nadelen voor uw organisatie? Omdat de WBTR een uitgebreide wet is, zullen hier alleen de belangrijkste veranderingen worden besproken. Indien u een nadere advisering wil, neemt u dan contact met ons op.

Wijziging van de aansprakelijkheid voor bestuurders

Dit onderwerp is een van de meest besproken onderwerpen in het kader van de WBTR. Het is namelijk zo dat aansprakelijkheidsnormen die voorheen golden voor commerciële ondernemingen in de vorm van een B.V., N.V. of coöperatie ook zullen gelden voor stichtingen en verenigingen door de nieuwe WBTR. Daarmee lijken bestuurders een extra risico te zullen lopen. Toch zal dit in de praktijk voor met name vrijwilligersorganisaties meevallen.

De bepaling waar het om gaat is een specifiek wetsartikel waarmee een curator in geval van een faillissement een bestuurder aan kan spreken. Dit staat ook wel bekend als bestuurdersaansprakelijkheid vanwege kennelijk onbehoorlijk bestuur. Dit komt er op neer dat een bestuurder persoonlijk aansprakelijk is voor het tekort in het faillissement (dus alle schuld die resteert nadat het actief te gelde gemaakt is) als hij heeft gehandeld op een manier die geen enkel ander redelijk handelend bestuurder in zijn plaats zou hebben gedaan binnen 3 jaar voor het faillissement. In de praktijk moet u daarbij bijvoorbeeld denken aan een penningmeester die een greep uit de kas doet of een bestuur dat onverantwoorde risico’s neemt.

“Met de nieuwe WBTR lijken bestuurders extra aansprakelijkheidsrisico’s te lopen. In de praktijk zal dat echter meestal meevallen.” 

Als er sprake lijkt van een onbehoorlijk bestuur, geldt in beginsel dat de curator moet bewijzen dat er sprake is van onbehoorlijk bestuur én dat dat een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Dat is anders bij commerciële organisaties, d.w.z. organisaties die een vennootschapsbelasting- en/of jaarrekeningenplicht hebben. Bij deze geldt dat het kennelijk onbehoorlijk bestuur in beginsel aanwezig is als de administratie niet aan de wettelijke eisen voldoet. Alle bestuurders van stichtingen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen kunnen dus worden aangesproken, maar er is een verschil in bewijsvermoeden afhankelijk van de vraag of de organisatie een vennootschapsbelasting- en/of jaarrekeningenplicht heeft. Nogmaals, dit geldt in geval van een faillissement.

De andere aansprakelijkheidsgronden die er al bestonden voor een bestuurder of commissaris van een van de rechtspersonen waar de WBTR op ziet, veranderen niet door de WBTR. Let hier dus wel op.

Wijzigingen in de mogelijkheid toezicht te houden op het bestuur

In diverse organisaties bestaan al één of meerdere organen die toezicht houden op het bestuur. De WBTR geeft nu een wettelijke basis voor 2 mogelijkheden daartoe.

Men kan ervoor kiezen om het toezicht uit te laten voeren door een raad van commissarissen. In dat geval is er een los orgaan (de RvC) dat toezicht houdt op het bestuur.

“De WBTR biedt nieuwe mogelijkheden intern toezicht op het bestuur te regelen”

Daarnaast is er ook een mogelijkheid het toezicht in het bestuur te integreren. Dit noemt men een one-tier-board (of one-tier-bestuur). Dit betekent dat er niet een losse raad van toezichthouders komt, maar dat een paar bestuurders toezichthoudende bestuurders worden. Als er een one-tier board is, is de voorzitter in elk geval zo een toezichthoudend bestuurder. De niet-toezichthoudende bestuurders krijgen in dat geval de operationele taken en de toezichthoudende bestuurders (naast natuurlijk toezicht houden) krijgen ook een aantal specifieke taken.

Indien uw organisatie voor een toezichtmodel wil kiezen, is het aan te raden goed na te gaan wat bij uw organisatie past. Laat u daarover dan ook deskundig adviseren, zeker als de statuten aangepast moeten worden.

In sommige gevallen is het voor organisaties verplicht een raad van commissarissen of een one-tier-bestuur te hebben. Dit speelt bij organisaties die onder het zogenoemde structuurregime vallen (veelal grote, commerciële partijen). Soms is er ook een verplichting hiertoe op basis van bijzondere wetgeving (bijvoorbeeld in de zorg).

Tegenstrijdig belang

Bij de rechtspersonen waarvoor de WBTR geldt, komt er een algemene regeling over tegenstrijdig belang. Dit zal inhouden dat een bestuurder (of commissaris) die een persoonlijk belang heeft bij een bepaalde transactie dat mogelijk niet parallel loopt met dat van de rechtspersoon niet mag meevergaderen of meebesluiten over dat besluit. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de situatie dat een secretaris een administratiekantoor heeft. De stichting waar hij secretaris is, wil haar boekhouding door dat administratiekantoor laten verzorgen. De secretaris heeft dan 2 belangen: privé wil hij natuurlijk de stichting als klant en mogelijk voor een voor het administratiekantoor zo gunstig mogelijke prijs. Als secretaris moet hij echter in het belang van de stichting denken. Als die belangen tegenstrijdig zijn, mag hij niet meedoen aan het overleg en stemmen over het besluit de boekhouding van de stichting door zijn administratiekantoor uit te laten voeren.

Ontstentenis- en beletregelingen

Voor de praktijk van niet-commerciële organisaties zal deze regeling het belangrijkste zijn. De WBTR verplicht organisaties die onder haar werkingsbereik vallen namelijk om een regeling in de statuten op te nemen bij ontstentenis of belet. Dit is een regeling die voorschriften geeft over wat te doen indien een bestuurder of commissaris (tijdelijk of permanent) niet in staat is zijn/haar functie te vervullen (bijvoorbeeld door ziekte).

Een ontstentenis- en beletregeling is niet alleen verplicht onder de WBTR, maar ook gewoon praktisch in een organisatie

Vaak bevatten statuten hier geen regeling voor, terwijl deze situatie in de praktijk wel degelijk voor zal komen. Het is daarom van belang dat uw organisatie deze regeling in elk geval zo snel mogelijk in haar statuten opneemt. Niet alleen verplicht de WBTR daartoe, ook is het goed een regeling te hebben die voorziet in het geval een of meerdere bestuurders hun functie (tijdelijk) niet meer kunnen vervullen. 

Overgangsrecht

Dient u nu meteen actie te ondernemen voor of op 1 juli 2021? Nee, de wet geeft een overgangsperiode van 5 jaar (dus tot 1 juli 2026) om de statuten in lijn met de wet te brengen. Bent u dus sowieso al voornemens in die periode uw statuten te wijzigen, dan kunt u die wijziging combineren met de wijziging om de statuten ‘WBTR-proof’ te maken. Dat laat natuurlijk wel onverlet dat het allicht verstandig is regelingen als de ontstentenis- en beletregeling zo snel mogelijk in te voeren als deze er niet zijn, omdat deze regelingen in de praktijk gewoon handig kunnen zijn voor uw organisatie.

Heeft u naar aanleiding van dit artikel nog vragen? Neem dan vrijblijvend contact op met  mr R.M.E. (Rob) Geraats via  0492 – 749 990 of via rgeraats@abenslag.nl

Rob Geraats

Rob Geraats

Rob Geraats heeft aan de Universiteit van Tilburg Europees recht en International business law gestudeerd. Na zijn studie heeft hij 3 jaren in de advocatuur gewerkt en per 1 maart 2019 heeft Rob de overstap gemaakt naar Aben & Slag Advocaten.