In Personen & familierecht

Nieuw Huwelijksvermogensrecht: aanstaande echtgenoten opgelet! (deel 2)

Door Daniëlle Kuppens, geplaatst op 22 december 2017 in Personen & familierecht

In onze nieuwsbrief van afgelopen september is de nieuwe Wet beperking wettelijke gemeenschap van goederen en de praktische gevolgen hiervan kort besproken. Ook is toen de redelijke vergoeding die voor een onderneming aan de gemeenschap dient te worden betaald aangestipt. In dit deel wordt nader ingegaan op deze redelijke vergoeding.

Eerst even opfrissen. Met ingang van 1 januari a.s. wijzigt de wettelijke (“standaard”) gemeenschap naar een meer beperkte variant. Standaard zal alles wat beide echtelieden voor het huwelijk samen in eigendom hebben en tijdens het huwelijk samen hebben opgebouwd in de huwelijksgemeenschap vallen. Het voorhuwelijkse vermogen, giften en erfenissen blijven privévermogen. Daarbij dient wel de aantekening gemaakt te worden dat een goede beschrijving (administratie) van het privévermogen gemaakt en onderhouden dient te worden. Immers, indien niet aangetoond kan worden dat een goed tot het privévermogen van één van de echtgenoten behoort, wordt aangenomen dat dit goed tot de huwelijksgemeenschap behoort.

De “redelijke vergoeding” is een bewust open wettelijke norm, die nog door de rechtspraak nader uitgekristalliseerd dient te  worden. De vergoeding dient dan ook gebaseerd te worden op alle feiten en omstandigheden. Van belang is voor ogen te houden dat de redelijke vergoeding geen economische deelgerechtigheid is: de echtgenoot van de ondernemer heeft geen recht op een aandeel in de onderneming, maar heeft “slechts” recht op een vergoeding. Komen partijen er samen niet uit, dan zullen zij de vaststelling van de vergoeding aan de rechter dienen voor te leggen. De initiatiefnemers geven ook in de parlementaire geschiedenis van het wetsvoorstel weinig concrete voorbeelden. Wel wordt als voorbeeld aangehaald de onderneming die vlak voor de huwelijksdatum wordt opgestart en dus niet tot de huwelijksgemeenschap behoort. Bij vaststelling van een redelijke vergoeding zou dan aansluiting gezocht kunnen worden bij de waardestijging (of vermindering) van de onderneming tijdens het huwelijk (Kamerstukken I 2016-2017, 33 987, C, p.24). Er kan, volgens de initiatiefnemers, echter ook rekening worden gehouden met de gemaakte winst en verlies. Daarbij schetsen de initiatiefnemers ook een “toepasschema” (Kamerstukken I 2016-2017, 33 987, G): eerst dient bekeken te worden of er gedurende het huwelijk inspanningen voor de onderneming zijn verricht en daarna of voor deze inspanningen gedurende het huwelijk een redelijke beloning aan de gemeenschap ten goede is gekomen. Bij de beoordeling wat een redelijke vergoeding is kan gebruik worden gemaakt van norminkomens. Met andere woorden wat had de ondernemer-echtgenoot in een vergelijkbare functie bij bijvoorbeeld de concurrent als salaris ontvangen? In de literatuur wordt ook wel betoogd dat onderscheid gemaakt moet worden tussen twee “soorten” ondernemingen. (1) De onderneming waar de vaardigheden van de echtgenoot niet bepalend zijn (de grotere ondernemingen) en (2) de ondernemingen waar de vaardigheden van de echtgenoot hoofdzakelijk bepalend zijn voor de waarde van de onderneming. Bij de grotere ondernemingen kan bij vaststelling van een redelijke vergoeding aansluiting worden gezocht bij een in de branche gebruikelijke beloning voor de verrichte inspanningen. Bij de tweede variant kan aansluiting worden gezocht bij het waardeverschil van de onderneming bij aanvang van het huwelijk en bij het einde van het huwelijk.

“Deze afspraken werken ook door in de relatie tussen de echtgenoten. Van belang is dat de beide echtgenoten zich hier voorafgaand aan het huwelijk bewust van zijn en eventueel (afwijkende) afspraken vastleggen in huwelijksvoorwaarden.”

De redelijke vergoeding levert voor iedere ondernemingsvorm eigen strubbelingen op. Bij de (personen)vennootschap kan de vennoot niet zelfstandig beschikken over winst van de vennootschap. Ook zal de vennoot op overige punten gebonden zijn aan het vennootschapscontract, bijvoorbeeld bij de waarderingsgrondslag. Deze afspraken werken ook door in de relatie tussen de echtgenoten. Van belang is dat de beide echtgenoten zich hier voorafgaand aan het huwelijk bewust van zijn en eventueel (afwijkende) afspraken vastleggen in huwelijksvoorwaarden.

Bij de besloten vennootschap (BV) kan enerzijds aansluiting worden gezocht bij de waarde(stijging) van de aandelen, anderzijds indien de echtgenoot directeur-grootaandeelhouder (dga) is met diens salaris. Indien dit een (hoger dan) marktconform inkomen is, zou gesteld kunnen worden dat voor de verrichte inspanningen al een vergoeding ten goede is gekomen aan de beide echtgenoten. Indien de vergoeding wordt vastgesteld op basis van de waarde van de aandelen is het van belang dat beide echtgenoten van dezelfde, bij voorkeur in huwelijksvoorwaarden overeengekomen, waardebepaling uitgaan.

Voor de eenmanszaak kan het nieuwe huwelijksvermogensrecht talrijke problemen opleveren, omdat de eenmanszaak geen afgescheiden vermogen kent. Met name bij deze ondernemingsvariant is het van belang het voorhuwelijkse vermogen goed vast te leggen en ook van welk waarde- en winstbegrip uitgegaan dient te worden. Zowel de waardebepaling als winstbepaling kan op vele manieren worden uitgelegd, wat bij vaststelling van de vergoeding veel discussie kan opleveren. Daarnaast kunnen ook op het gebied van de zaaksvervanging problemen gaan spelen. Immers, indien een goed met meer dan 50% gemeenschapsvermogen is aangeschaft, behoort dit goed tot de gemeenschap. De ondernemer-echtgenoot die tijdens het huwelijk een bedrijfsmiddel vervangt (deels) gefinancierd met gemeenschapsvermogen heeft dan slechts een vergoedingsrecht jegens de gemeenschap. Er zal dus aangetoond moeten worden op welke wijze de ondernemer-echtgenoot bepaalde goederen/bedrijfsmiddelen heeft gefinancierd, wil hij bewerkstelligen dat deze goederen tot zijn privé-/ondernemersvermogen behoren. Ook indien de eenmanszaak tijdens het huwelijk wordt ingebracht in een BV zullen de echtgenoten dit goed moeten administreren en vastleggen. De ondernemer zal immers moeten aantonen dat hij de aandelen volledig met zijn privévermogen heeft gefinancierd. Kan hij dit niet, dan zal de rechter hierover moeten oordelen.

De initiatiefnemers hebben voor ogen om met deze open norm maatwerk te kunnen leveren, althans om hiertoe de mogelijkheid te creëren. Het is immers aan de rechters om invulling aan deze norm te geven. Daarbij zal in beginsel de continuïteit van de onderneming als ondergrens fungeren. In ieder geval voor nu levert dit echter grote onzekerheid op voor aanstaande echtgenoten. Voor aanstaande echtgenoten die niet afhankelijk willen zijn van wetgever en rechter, is het advies dus om goede huwelijkse voorwaarden te laten opstellen en deze ook deugdelijk te laten onderhouden. Tot slot geldt voor alle ondernemer-echtgenoten (en eigenlijke alle aanstaande echtgenoten) dat het bijhouden van een goede administratie eveneens is aan te bevelen.

Heeft u naar aanleiding van dit artikel nog vragen? Neemt u dan vrijblijvend contact op met mw. mr. E.J.M. Stals (estals@abenslag.nl of 0495-536138) of mw. mr. D.J.M. Kuppens (dkuppens@abenslag.nl of 0495-536138).

Daniëlle Kuppens

Daniëlle Kuppens

Daniëlle Kuppens is in meerdere richtingen succesvol afgestudeerd aan de Universiteit van Tilburg. Zo heeft zij haar Bachelor Nederlands Recht behaald, evenals haar Master Milieurecht en haar Master Rechtsgeleerdheid.