In Vastgoed & overheid

Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over huurprijsvermindering als gevolg van de coronacrisis

Door Malou van Vroonhoven, geplaatst op 14 april 2021 in Vastgoed & overheid

In haar uitspraak van 31 maart 2021 heeft de Rechtbank Limburg prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad over diverse vraagstukken met betrekking tot de huurovereenkomst en gevolgen van de coronacrisis. Een prejudiciële vraag is een rechtsvraag van een rechter aan de Hoge Raad over de uitleg van een rechtsregel.

De feiten

In het onderhavige geschil huurt Heineken Nederland B.V. (‘Heineken’) een bedrijfspand van een (particuliere) verhuurder tegen een huurprijs van € 2.444,54 inclusief btw per maand.

Als gevolg van de van overheidswege gedwongen sluiting van het gehuurde horecapand, is door Heineken aan haar verhuurder verzocht om een huurprijsvermindering. De huurprijsvermindering betrof in het onderhavige geval een kwijtschelding van de huur voor één maand. De verhuurder is hiermee niet akkoord gegaan, waarna een gerechtelijke procedure is gestart.

“Dient de als gevolg van de coronacrisis van overheidswege opgelegde sluiting van de horeca beschouwd te worden als een gebrek in de zin van artikel 7:204 lid 2 Burgerlijk Wetboek?”

Het geschil

In de gerechtelijke procedure beroept Heineken zich enerzijds op een gebrek aan het gehuurde als bedoeld in artikel 7:204 lid 2 Burgerlijk Wetboek. Op grond van dat gebrek zou de rechter de huurprijs ex artikel 7:207 Burgerlijk Wetboek dienen te verminderen.

Ook beroept Heineken zich op de onvoorziene omstandigheid van de coronacrisis als bedoeld in artikel 6:258 Burgerlijk Wetboek, een en ander zoals eerder besproken in onze artikelen van 3 februari 2021 en 17 februari 2021.

De Rechtbank Limburg heeft vervolgens aan partijen de mogelijkheid voorgehouden om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen. Hiertoe overweegt de rechtbank dat in de reeds bestaande jurisprudentie in veel gevallen wordt aangenomen dat de getroffen overheidsmaatregelen als gevolg van de coronacrisis als gebrek ex artikel 7:204 Burgerlijk Wetboek kwalificeren. Daarentegen kan worden aangevoerd dat deze maatregelen zien op de uitoefening van de horeca en niet op het gehuurde zelf. Hier zien dan ook de door de rechtbank geformuleerde vragen op.

De geformuleerde prejudiciële vragen aan de Hoge Raad luiden als volgt:

  1. Dient de als gevolg van de coronacrisis van overheidswege opgelegde sluiting van de horeca beschouwd te worden als een gebrek in de zin van artikel 7:204 lid 2 Burgerlijk Wetboek?
  2. Zo ja, aan de hand van welk criteria moet dan de mate van huurprijsvermindering worden beoordeeld?
  3. (Of) vormt de beperking in het gebruik van het gehuurde een onvoorziene omstandigheid die tot huurprijsvermindering kan leiden?
  4. (Zo ja, welke omstandigheden van het geval wegen mee bij het bepalen of verdelen van de schade?

Momenteel is het afwachten hoe de Hoge Raad deze vragen beantwoordt, waarna de door de Hoge Raad uitgestippelde lijn in de lagere rechtspraak (naar alle waarschijnlijkheid) zal worden overgenomen. De beantwoording van de vragen zullen in de toekomst dan ook van groot belang zijn op een eventueel beroep op huurprijsvermindering door een huurder.

Wij houden u uiteraard op de hoogte van eventuele ontwikkelingen op dit punt. Heeft u echter (alvast) vragen naar aanleiding van een huurprijsvermindering als gevolg van de coronacrisis, dan kunt u uiteraard contact opnemen met een van onze advocaten via het telefoonnummer 0495 – 536 138 of info@abenslag.nl.

Malou van Vroonhoven

Malou van Vroonhoven

Malou van Vroonhoven heeft Ondernemingsrecht gestudeerd aan Tilburg University. Gedurende haar studie heeft zij een exchangeprogramma gevolgd aan de University of Hull, gelegen in het Verenigd Koninkrijk.