In Personen & familierecht

Hoge Raad: aangaan huwelijkse voorwaarden in het zicht van overlijden is geen schenking

Door Ton Weierink, geplaatst op 13 mei 2024 in Personen & familierecht

De Hoge Raad heeft op 16 februari 2024 uitspraak gedaan in een voor de praktijk belangrijke zaak. De vraag die voorlag was of sprake is van een (belaste) schenking, als echtgenoten in het zicht van overlijden hun huwelijkse voorwaarden zo wijzigen, dat zij voor ongelijke delen worden gerechtigd tot de huwelijksgemeenschap. De Hoge Raad oordeelt dat in dit geval dat er geen sprake is van een schenking en ook niet van een fictieve erfrechtelijke verkrijging. De Hoge Raad legt daarnaast uit in welke omstandigheden wél sprake zou kunnen zijn van een (belaste) verkrijging. Daarmee heeft deze uitspraak een bredere reikwijdte. In dit artikel gaan wij graag nader in op de uitspraak van de Hoge Raad en de gevolgen voor de praktijk.

Van belang is te weten dat op grond van de Successiewet 1956 er erfbelasting geheven wordt over de waarde van alles wat wordt verkregen ‘krachtens erfrecht’, dat wil zeggen: door het overlijden van iemand. In diezelfde wet wordt ook de schenkbelasting geregeld. Schenkingen die binnen 180 dagen vóór het overlijden van de schenker hebben plaatsgevonden, worden belast alsof zij krachtens erfrecht zijn verkregen.

 

De feiten

In de kwestie die is voorgelegd aan de Hoge Raad hebben de echtgenoten reeds 33 jaar een affectieve relatie. Zij besluiten vervolgens om in 2015 te trouwen in gemeenschap van goederen. De man is vermogend. In 2017 gaan de man en de vrouw tijdens het huwelijk huwelijkse voorwaarden aan, waarbij zij overeenkomen dat de man gerechtigd zal zijn tot 10% van de gemeenschap en dat de vrouw gerechtigd zal zijn tot 90% van de gemeenschap.

De man is op het moment van de opmaak van de huwelijkse voorwaarden al ernstig ziek. Hij overlijdt vervolgens binnen 180 dagen na het sluiten van de huwelijkse voorwaarden. De man en de vrouw hebben geen kinderen en de vrouw is zijn enige erfgenaam. Op basis van de huwelijkse voorwaarden gaat 90% van het vermogen via het huwelijksvermogensrecht (onbelast) over naar de vrouw. De overige 10% van het huwelijksvermogen gaat via het erfrecht (en dus belast met erfbelasting) naar haar over.

De inspecteur is van mening dat er door het aangaan van de huwelijkse voorwaarden sprake is van een schenking van de man aan zijn vrouw. De inspecteur legt de vrouw een aanslag erfbelasting op uitgaande van een 50-50-verdeling van de gemeenschap van goederen in plaats van de 10-90-verdeling zoals deze bij huwelijkse voorwaarden was overeengekomen. De vrouw komt op tegen deze aanslag.

Het gerechtshof Amsterdam oordeelde vervolgens in deze kwestie onder meer dat het aangaan van de huwelijkse voorwaarden door partijen in het jaar 2017 op één lijn moet worden gesteld met een schenking, omdat volgens het Hof in dit geval sprake is van strijd met doel en strekking van de successiewet.

De vrouw kon zich niet verenigen met de uitspraak van het gerechtshof en stapte hierop naar de Hoge Raad. De Hoge Raad moest in dezen een antwoord formuleren op de volgende drie vragen:

  • Is het aangaan van de huwelijkse voorwaarden aan te merken als een schenking van de man aan de vrouw ter grootte van 40% van de omvang van de gemeenschap?
  • Is op basis van een andere specifieke bepaling sprake van een fictieve erfrechtelijke verkrijging voor de vrouw omdat bij het einde van het huwelijk aan de vrouw meer toekomt dan de helft van het huwelijksvermogen?
  • Hebben de echtgenoten door het aangaan van deze huwelijkse voorwaarden in strijd gehandeld met doel en strekking van de wet en hadden zij hierbij een overwegend fiscaal motief?

De Hoge Raad heeft deze vragen als volgt beantwoord :

  • Het aangaan van huwelijkse voorwaarden tijdens het huwelijk vormt geen schenking, ook niet als de echtgenoten daardoor voor ongelijke delen worden gerechtigd tot de huwelijksgemeenschap. Er heeft zich op het moment van aangaan van de huwelijkse voorwaarden nog geen vermogensverschuiving voorgedaan uit het vermogen van de ene echtgenoot in het vermogen van de andere echtgenoot.
  • Daarnaast is er in dit geval overigens ook geen sprake van een fictieve erfrechtelijke verkrijging door de vrouw.
  • Slechts in uitzonderlijke gevallen kan het aangaan van huwelijkse voorwaarden worden gezien als wetsontduiking. Hier is alleen sprake van in het geval dat:

(i) het ontwijken van erfbelasting het doorslaggevende motief is geweest voor het aangaan van de huwelijkse voorwaarden.

en

(ii) het in strijd zou komen met doel en strekking van de successiewet wanneer de vermogensverschuiving tussen de echtgenoten en het vervolgens overlijden van één van hen niet zou worden aangemerkt als een verkrijging krachtens erfrecht. Dit doet zich voor als op het moment van aangaan van de huwelijkse voorwaarden zo goed als zeker is dat de echtgenoot die daardoor voor het kleinste deel wordt gerechtigd tot het gemeenschappelijke vermogen eerder zal overlijden dan de andere echtgenoot en dat daardoor de vermogensverschuiving van de ene echtgenoot naar de andere zich zal voltrekken.

Indien aan bovenstaande voorwaarden wordt voldaan dan moet worden aangenomen dat de vermogensverschuiving door de huwelijkse voorwaarden geen ander motief kon hebben dan het vermijden van erfbelasting.

In de aan de Hoge raad voorleggende kwestie heeft zij geoordeeld dat niet voldoende onderbouwd is dat het zo goed als zeker was dat de man eerder zou komen te overlijden dan de vrouw. Daarmee is van wetsontduiking geen sprake geweest. De Hoge Raad heeft dan ook het standpunt ingenomen dat er in dezen  geen sprake is van een schenking bij het aangaan van huwelijkse voorwaarden met ongelijke delen.

 

Belang voor de praktijk

De Hoge Raad heeft in deze kwestie het kader geschetst waarbinnen echtgenoten tijdens het huwelijk bij het aangaan van huwelijkse voorwaarden invulling kunnen geven aan hun wens om financieel voor elkaar te zorgen, zonder dat sprake is van een schenking of (fictieve) erfrechtelijke verkrijging. Bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden zal goed gekeken moeten worden naar de feiten en omstandigheden van de situatie waaronder partijen huwelijkse voorwaarden met elkaar overeenkomen om te voorkomen dat de belastingdienst de overeenkomst (alsnog) als een schenking of fictieve erfrechtelijke verkrijging beoordeeld.

Deze uitspraak kan ook handvatten bieden in andere situaties waarin het huwelijksgoederenregime wordt gewijzigd kort voor ontbinding van het huwelijk. Hierbij kan gedacht worden aan echtgenoten die huwelijkse voorwaarden aangaan of een (beperkte) gemeenschap van goederen aangaan kort voor echtscheiding. Mogelijk geldt ook in die gevallen dat in de basis geen sprake is van een belaste schenking, tenzij een echtscheiding ‘zo goed als zeker is’. In dat geval zou bij een wijziging van het huwelijksgoederenregime dan mogelijk wél sprake kunnen zijn van een (belaste) verkrijging. Dient verdient dan ook zeker uw aandacht.

Mocht u de uitspraak in zijn geheel eens willen lezen? Dat kan hier.

Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel of de besproken uitspraak? Voor meer informatie kunt u contact opnemen met de sectie familie- en erfrecht, meer in het bijzonder met Ton Weierink via tweierink@abenslag.nl of Mathilde Becking via mbecking@abenslag.nl dan wel telefonisch via 0495-536138.