In Arbeidsrecht

GEEN TRANSITIEVERGOEDING VOOR AOW-GERECHTIGDEN; LEEFTIJDSDISCRIMINATIE?

Door Jane van Soolingen, geplaatst op 15 februari 2017 in Arbeidsrecht

Indien een arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en door of vanwege de werkgever wordt beëindigd, heeft de werknemer recht op een transitievergoeding. Bij de invoering van het artikel met betrekking tot de transitievergoeding, zijnde artikel 7:673 BW, heeft de regering erop gewezen dat de transitievergoeding een tweeledige doelstelling heeft, te weten:

1.       compensatie voor (de gevolgen van) het ontslag;

2.       de werknemer in staat te stellen om met behulp van hiermee gemoeide financiële middelen de transitie naar een andere baan te vergemakkelijken.

In artikel 7:673 lid 7 BW is de uitzondering op het recht op transitievergoeding opgenomen. De transitievergoeding is niet verschuldigd, indien het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst:

a.       geschiedt voor de dag, waarop de werknemer de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en de gemiddelde omvang van de arbeidsovereenkomst ten hoogste twaalf uur per week heeft bedragen, of:

b.       geschiedt in verband met of na het bereiken van een bij of krachtens wet vastgestelde of tussen partijen overeengekomen leeftijd, waarop de arbeidsovereenkomst eindigt, of indien geen andere leeftijd geldt, de in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet bedoelde leeftijd (oftewel bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd), of:

c.       het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer.

Bij het vaststellen van deze uitzonderingen, meer in het bijzonder met betrekking tot uitzondering sub b, is uitgebreid stilgestaan of deze bepaling niet tot leeftijdsdiscriminatie leidt. Volgens de regering is dit niet het geval en is het maken van onderscheid gerechtvaardigd. Het doel is te voorkomen dat een transitievergoeding ten goede komt aan personen die niet langer zijn aangewezen op het verrichten van arbeid om in hun levensonderhoud te voorzien, nu zij een vervangend inkomen in de vorm van ouderdomspensioen ontvangen. Volgens de regering is dit een legitiem doel, waardoor het verschil in behandeling op grond van leeftijd geen discriminatie vormt.

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2017:345) heeft kort geleden prejudiciële vragen aangekondigd. In de casus ging het om een AOW-gerechtigde werknemer die ervoor had gekozen om na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd te blijven werken om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Hierdoor was deze werknemer nog aangewezen op het verrichten van arbeid om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Nu hem geen compensatie wordt gegeven (aangezien hij de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt en hierdoor is uitgezonderd op het recht op transitievergoeding) heeft de werknemer een beroep gedaan op het karakter van de transitievergoeding, die volgens hem ook is bedoeld om de gevolgen van het ontslag te compenseren of te verzachten. Door de uitzondering op de transitievergoeding wordt deze compensatie hem thans onthouden.

Daarbij heeft de werknemer erop gewezen dat het een bewuste keuze is geweest van werkgever om de arbeidsovereenkomst met hem voort te zetten, toen hij de AOW-gerechtigde leeftijd had bereikt.

Ook het Gerechtshof wijst erop dat één van de doelstellingen van de transitievergoeding compensatie voor het ontslag is. Hierdoor vraagt het Gerechtshof zich af, of de uitsluiting van alle AOW-gerechtigden zich wel verdraagt met deze doelstelling. Om die reden is het Hof voornemens om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad.

Het Hof is van plan om de volgende vragen te stellen:

1.       Is artikel 7:673 lid 7 aanhef en onderdeel b BW in strijd met richtlijn 2000/78 EG?

2.       Dient/Kan een individuele toetsing plaats (te) vinden?

3.       Indien artikel 7:673 lid 7 aanhef en onderdeel b BW in strijd is met richtlijn 2000/78 EG, moet het Hof dan – zoals zij voorlopig meent – eerstgenoemde bepalingen buiten toepassing laten?

De prejudiciële vragen dienen nog officieel te worden gesteld aan de Hoge Raad. Zodra hierover meer bekend is, zal ik u hierover uiteraard aanvullend berichten.

Voor vragen over dit artikel kunt u contact opnemen met mw. mr. J.A. (Jane) van Soolingen (0495-536138 / jsoolingen@abenslag.nl).