In Ondernemingsrecht

Geen klachtplicht bij (interne) bestuurdersaansprakelijkheid

Door Marc Rooijen, geplaatst op 2 maart 2017 in Ondernemingsrecht

Het Hof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2017:523) heeft geoordeeld dat bij bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW er geen sprake is van een klachtplicht. Wat betekent deze uitspraak nu eigenlijk?

De klachtplicht die is neergelegd in artikel 6:89 BW houdt kort samengevat in dat er door een schuldeiser tijdig geklaagd dient te worden indien er sprake is van een gebrek in prestatie. Het niet tijdig klagen, heeft zogenaamd verval van recht tot gevolg. Er kan dan dus bijvoorbeeld geen schadevergoeding meer gevorderd worden.

Het is dus niet verwonderlijk dat met regelmaat bestuurders die aansprakelijk worden gesteld aan deze aansprakelijkheid trachten te ontkomen, door te stellen dat de schuldeiser – in het geval van artikel 2:9 BW: de vennootschap – te laat heeft geklaagd. Zo ook de bestuurder in de kwestie die het Hof had te beslechten. De bestuurder werd onder meer aangesproken voor het namens de vennootschap verstrekken van leningen aan (onbekende) derden zonder rente- en aflossingsverplichtingen vast te leggen en zonder zekerheden te bedingen.

In het arrest van het Hof stond de vraag centraal of de klachtplicht van artikel 6:89 BW echter wel van toepassing is op een aansprakelijkheid van de bestuurder op grond van artikel 2:9 BW. Het Hof oordeelde van niet. Het Hof oordeelt in de eerste plaats dat bepaalde in artikel 6:89 BW is van toepassing op alle verbintenissen (dit is vaste rechtspraak van de Hoge Raad, zie: HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600). Hieruit volgt dat in beginsel artikel 6:89 BW ook van toepassing is op de rechtsverhouding tussen de bestuurder en de vennootschap. Het Hof is echter van oordeel dat de klachtplicht – en de verstrekkende gevolgen die kleven aan de niet-naleving daarvan – niet is bedoeld voor een rechtsverhouding zoals die tussen de bestuurder en de rechtspersoon. Het Hof neemt daarbij tot uitgangspunt dat de bestuurder in een vennootschapsrechtelijke verhouding tot de rechtspersoon staat en specifieke in de wet geregelde rechten en plichten heeft. De aansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW is gebaseerd op de verplichting van de bestuurder tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. De rechtspersoon is gerechtigd is tot deze prestatie. Hierdoor ontstaat er echter geen verbintenis waarop artikel 6:89 BW van toepassing is. Met deze verplichting van de bestuurder correspondeert immers geen subjectief vermogensrecht van de vennootschap. De bestuurder komt met betrekking tot de vordering ex artikel 2:9 BW dan ook geen beroep op artikel 6:89 BW toe.

Voor vragen over dit artikel kunt u contact opnemen met mr. M.M.M. (Marc) Rooijen

Marc Rooijen

Marc Rooijen

Marc Rooijen voltooide de Master opleidingen Civiel recht en Togamaster aan de Universiteit Maastricht. Met ingang van 1 september 2009 is Marc in dienst bij Aben & Slag Advocaten. Hij houdt zich in hoofdzaak bezig met het procederen voor en het adviseren van commerciële partijen en overheden.