In Ondernemingsrecht
interne-bestuursaansprakelijkheid

Geen klachtplicht bij interne bestuurdersaansprakelijkheid

Door Fleur van Helmond, geplaatst op 3 mei 2024 in Ondernemingsrecht

Op 26 april 2024 heeft de Hoge Raad arrest gewezen in een kwestie waarbij een door de rechtspersoon aansprakelijk gestelde bestuurder een beroep doet op de klachtplicht ex artikel 6:89 BW. Benieuwd wat de Hoge Raad hiervan vindt? In dit blog lichten wij het arrest van de Hoge Raad toe.

 

Casus

Een rechtspersoon spreekt een oud-bestuurder in rechte aan vanwege zijn rol bij het beheer van haar gelden. De rechtspersoon spreekt de oud-bestuurder aan op grond van artikel 2:9 BW. Lid 1 bepaalt dat elke bestuurder tegenover de rechtspersoon is gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Een bestuurder die zijn taak niet behoorlijk vervult, is daarvoor aansprakelijk als hem daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dit betreft de interne bestuurdersaansprakelijkheid; de aansprakelijkheid van de oud-bestuurder jegens de rechtspersoon.

De oud-bestuurder verweert zich in rechte onder andere met een beroep op de klachtplicht ex artikel 6:89 BW. Volgens hem klaagt de rechtspersoon te laat. Er is volgens de oud-bestuurder niet geklaagd binnen bekwame termijn nadat de rechtspersoon de gebreken heeft ontdekt of had moeten ontdekken. Het hof volgt de oud-bestuurder hier niet in. Nadat het hof zijn beroep heeft verworpen gaat hij in cassatie.

 

De Hoge Raad

De Hoge Raad stelt voorop dat met de benoeming van een bestuurder als zodanig tussen die bestuurder en de rechtspersoon een rechtspersonenrechtelijke rechtsverhouding ontstaat. Die rechtsverhouding brengt mee dat de bestuurder is gebonden aan de statuten, reglementen en besluiten van die rechtspersoon, – en aan de wet en de gewoonte. Deze gebondenheid betreft ook artikel 2:9 lid 1 BW.

De klachtplicht van artikel 6:89 BW houdt in dat een schuldeiser op een gebrek in de prestatie geen beroep meer kan doen, als hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of had moeten ontdekken daarover bij de schuldenaar heeft ‘geklaagd’. De vraag die bij de Hoge Raad voorlag is of deze verbintenissenrechtelijke klachtplicht ook van toepassing is op een vordering wegens bestuurdersaansprakelijkheid.

De Hoge Raad overweegt dat dit niet het geval is. Een redelijke wetsuitleg brengt volgens de Hoge Raad mee dat aan een bestuurder geen beroep op de klachtplicht kan toekomen ter afwering van zijn bestuurdersaansprakelijkheid. De Hoge Raad overweegt:

“Dit vloeit voort uit de aard van de rechtsverhouding tussen bestuurder en rechtspersoon (…) en uit de omstandigheid dat een rechtspersoon bezwaarlijk kan worden tegengeworpen dat de bestuurder tijdens zijn aanstelling ter zake van onbehoorlijke taakvervulling door hemzelf als bestuurder tegenover de rechtspersoon, nalaat namens die rechtspersoon te protesteren bij zichzelf.”

Volgens de Hoge Raad geldt dit ook voor de medebestuurders die op grond van art. 2:9 lid 2 BW in beginsel hoofdelijk verbonden zijn met deze bestuurder.

 

Tot slot

Artikel 6:89 BW is niet van toepassing op een vordering uit hoofde van artikel 2:9 lid 1 BW. Of de klachtplicht ook geen toepassing vindt bij de externe bestuurdersaansprakelijkheid, op grond van artikel 6:162 BW, is niet door de Hoge Raad uitgemaakt.

Heeft u vragen over dit blog of wilt u meer wil weten over een bepaald onderwerp, dan kunt u vanzelfsprekend contact met ons opnemen via 0495-536138 of info@abenslag.nl.