In Vastgoed & overheid

De aankoop van een perceel (bouw)grond hoeft niet schriftelijk te worden aangegaan

Door Malou van Vroonhoven, geplaatst op 20 december 2023 in Vastgoed & overheid

In het recente arrest van 15 december 2023 heeft de Hoge Raad de prejudiciële vraag behandeld of het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:2 lid 1 Burgerlijk Wetboek van toepassing is op, kort gezegd, de koop van een perceel bouwgrond.

Artikel 7:2 lid 1 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat bij de aanschaf van een woning door een particulier (consument-koper) de koopovereenkomst altijd schriftelijk moet worden aangegaan: het ‘schriftelijkheidsvereiste’. Mondelinge overeenstemming is niet voldoende. Daarmee is geen sprake van een rechtsgeldige koopovereenkomst.

Ter beantwoording van aan de Hoge Raad gestelde vraag heeft de Hoge Raad beslist dat de koop van een perceel grond niet valt aan te merken als de koop van een woning in de zin van artikel 7:2 lid 1 Burgerlijk Wetboek. Dat geldt ook als dat perceel de publiekrechtelijke bestemming ‘wonen’ heeft, indien het perceel als bouwkavel is verkocht, of indien de verkoper van het perceel weet dat de koper daarvan het voornemen heeft om op het perceel een woning te (laten) bouwen. De aanschaf van een perceel (bouw)grond door een consument-koper valt dus niet onder de bescherming van artikel 7:2 lid 2 Burgerlijk Wetboek. Dat betekent dat een dergelijke koopovereenkomst wél mondeling kan worden gesloten en men als consument-koper gebonden is aan een dergelijke mondeling gesloten overeenkomst.

Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel of het arrest van de Hoge Raad? Voor meer informatie kunt u contact opnemen met een van onze advocaten via het telefoonnummer 0495 – 53 61 38.

Malou van Vroonhoven

Malou van Vroonhoven heeft Ondernemingsrecht gestudeerd aan Tilburg University. Gedurende haar studie heeft zij een exchangeprogramma gevolgd aan de University of Hull, gelegen in het Verenigd Koninkrijk.