In Ondernemingsrecht

Collectieve bestuurdersaansprakelijkheid

Door Marc Rooijen, geplaatst op 16 juni 2018 in Ondernemingsrecht

Het leerstuk van de bestuurdersaansprakelijkheid mag zich in een voortdurende belangstelling verheugen. Met het recente TMF-arrest van de Hoge Raad (HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470) zijn wij een nieuwe loot aan de boom van dit leerstuk rijker.

Het arrest speelt tegen de achtergrond van het onderscheid tussen de interne aansprakelijkheid en de externe aansprakelijkheid. Het verschil tussen beide aansprakelijkheden is kort gezegd als volgt: de interne aansprakelijkheid betreft de aansprakelijkheid van de bestuurder ten opzichte van de vennootschap en wordt geregeld door artikel 2:9 BW; de externe aansprakelijkheid betreft de aansprakelijkheid van de bestuurder ten opzichte van een derde (doorgaans een schuldeiser) via de band van de onrechtmatige daad geregeld in artikel 6:162 BW.

“In het geval de vennootschap meerdere bestuurders kent zijn deze bestuurders gezamenlijk aansprakelijk ter zake van onbehoorlijk bestuur.”

Het uitgangspunt bij de interne aansprakelijkheid van artikel 2:9 BW vormt het beginsel van de collectieve aansprakelijkheid. In het geval de vennootschap meerdere bestuurders kent zijn deze bestuurders gezamenlijk aansprakelijk ter zake van onbehoorlijk bestuur. Voor een dergelijke aansprakelijkheid legt artikel 2:9 BW en de Hoge Raad conform vaste rechtspraak een strenge maatstaf aan. Er is met andere woorden een hoge(re) aansprakelijkheidsdrempel. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Aldus gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen dan in het algemeen het geval is.

Vervolgens oordeelt de Hoge Raad dat conform vaste rechtspraak deze maatstaf gehanteerd dient te worden bij de aansprakelijkheid ex artikel 6:162 BW, maar ook dat in dat geval de collectieve aansprakelijkheid niet geldt. Uit het persoonlijke karakter van het ernstige verwijt dat de bestuurder moet kunnen worden gemaakt, volgt aldus de Hoge Raad dat voor het aannemen van aansprakelijkheid, behoudens bij toepassing van art. 2:11 BW, voor iedere bestuurder afzonderlijk moet worden vastgesteld dat hij in zijn hoedanigheid onrechtmatig heeft gehandeld en dat dit handelen (waaronder is begrepen nalaten) aan hem kan worden toegerekend.

Het oordeel van de Hoge Raad is duidelijk, maar toont ook aan dat bestuurdersaansprakelijkheid afhankelijk van de grondslag tot zeer diverse uitkomsten kan leiden.

Heeft u naar aanleiding van dit artikel nog vragen? Neemt u dan vrijblijvend contact op met mr. M.M.M. Rooijen (mrooijen@abenslag.nl of 0495-536138).

Marc Rooijen

Marc Rooijen

Marc Rooijen voltooide de Master opleidingen Civiel recht en Togamaster aan de Universiteit Maastricht. Met ingang van 1 september 2009 is Marc in dienst bij Aben & Slag Advocaten. Hij houdt zich in hoofdzaak bezig met het procederen voor en het adviseren van commerciële partijen en overheden.