In Ondernemingsrecht

Bestuurder handelt onrechtmatig met turboliquidatie

Door Ralf Stoks, geplaatst op 11 april 2017 in Ondernemingsrecht

In de regel wordt een vennootschap ontbonden door een besluit van de algemene vergadering. In dergelijk geval moeten de baten van de vennootschap worden vereffend. De wet bepaalt echter dat de vereffening achterwege blijft indien er ten tijde van het ontbindingsbesluit geen baten (meer) zijn. In dergelijk geval houdt de vennootschap op grond van artikel 2:19 lid 4 BW op het tijdstip van ontbinding op te bestaan. Deze wijze van ontbinding wordt ook wel aangeduid met de term “turboliquidatie”. Deze term is ietwat misleidend, omdat de turboliquidatie zich juist kenmerkt door de afwezigheid van te liquideren vermogen, en dus van enige liquidatie. Om die reden wordt het ook wel de “ontbinding zonder vereffening” genoemd.

De turboliquidatie heeft de afgelopen tijd veel aandacht genoten. Niet alleen is er in de literatuur veelvuldig geklaagd over de misbruikgevoeligheid van de turboliquidatie, ook in de jurisprudentie is de nodige ontwikkeling merkbaar geweest. Een nadere illustratie van het gegeven dat de turboliquidatie geen “wondermiddel” is wordt gevonden in het hierna te bespreken arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 februari 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:1017).

Kort en goed komen de feiten in bovengenoemde kwestie op het volgende neer. Meneer A is bestuurder en aandeelhouder van BV A. BV A is op haar beurt bestuurder en aandeelhouder van haar dochtervennootschappen, gemakshalve genoemd BV B en BV C.

BV C neemt op enig moment de ondernemingsactiviteiten van Vebu BV over. De koopsom van ruim   € 170.000,- diende BV C in 4 termijnen te voldoen. De eerste termijn diende betaald te worden aan Vebu BV, waarna de drie daaropvolgende termijnen betaald dienden te worden aan Vebu Holding BV. Bij voornoemde overeenkomst had Vebu BV bedongen dat BV B zich hoofdelijke verbond voor de nakoming van voornoemde betalingsverplichtingen.

Vervolgens worden de eerste twee termijnen betaald,  waarna het stil blijft. Er resteert op dat moment nog een vordering van ruim € 95.000,-.

Korte tijd later wordt BV B, de vennootschap die zich hoofdelijk had verbonden tot nakoming van voornoemde betalingsverplichtingen, “geturboliquideerd” op grond van het hiervoor besproken artikel 2:19 lid 4 BW. BV B werd aldus ontbonden en hield daarmee op te bestaan.

Wederom korte tijd later failleert BV C. Vebu BV, althans Vebu Holding BV, bleef vervolgens achter met een onverhaalbare vordering; de boedel van BV C was namelijk ontoereikend om de vordering van Vebu Holding BV te voldoen, terwijl ook BV B geen verhaal meer bood vanwege de turboliquidatie.

Vebu Holding BV start vervolgens een procedure bij de rechtbank tegen BV A als bestuurder van BV B en BV C, alsmede tegen meneer A als bestuurder/aandeelhouder van BV A. In de procedure stelt Vebu Holding BV zich op het standpunt dat zowel BV A als meneer A onrechtmatig hebben gehandeld jegens haar door BV B te turboliquideren.

Het Gerechtshof overweegt dat partijen er bij het aangaan van de overeenkomst rekening mee hielden dat BV C haar betalingsverplichtingen jegens Vebu Holding BV niet zou kunnen nakomen, reden waarom BV B zich hoofdelijk had verbonden tot nakoming van die verplichtingen. Tot het nakomen van die verplichting zou BV B op haar beurt wel in staat zijn, zulks gelet op basis van haar kredietovereenkomst met haar bank.

Onder verwijzing naar een aantal arresten van de Hoge Raad overweegt het Hof dat het uitgangspunt is dat indien een B.V. tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de schade die daaruit voortvloeit. Onder bijzondere omstandigheden is er evenwel ruimte om ook de bestuurder of aandeelhouder aansprakelijk te houden voor de schade.

Het Hof oordeelt dat het handelen van BV A als (enig) aandeelhouder en (enig) bestuurder van BV B en van meneer A als bestuurder van BV A en als indirect feitelijk bestuurder van BV B als onrechtmatig jegens Vebu Holding BV dient te worden gekwalificeerd. Daartoe acht het Hof redengevend dat BV A en meneer A er ten tijde van de overeenkomst met Vebu BV rekening mee hielden dat BV C de overeenkomst niet kon nakomen, reden waarom BV B zich hoofdelijke verbond tot nakoming van de betalingsverplichtingen. Door BV B vervolgens door middel van een turboliquidatie te ontbinden, zonder Vebu BV en Vebu Holding BV daarvan zelfs maar op de hoogte te stellen , hebben BV A en meneer A bewerkstelligd dat Vebu Holding BV met een onverhaalbare vordering bleef zitten.

Kort en goed werd de bestuurder/aandeelhouder aansprakelijk bevonden op grond van onrechtmatige daad door de vennootschap die zich hoofdelijk had verbonden tot nakoming van een verplichting van een zustervennootschap te ontbinden door middel van een turboliquidatie, terwijl hij daarbij wist dat de schuldeiser met een onverhaalbare vordering zou blijven zitten.

Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel?

Neemt u dan gerust contact op met mr. R.A. (Ralf) Stoks (0495 536 138 / rstoks@abenslag.nl)

Ralf Stoks

Ralf Stoks

Ralf Stoks heeft aan Tilburg University Rechtsgeleerdheid en Fiscaal Recht gestudeerd. Tijdens zijn studie heeft hij deelgenomen aan diverse extracurriculaire programma’s, waaronder het Outreaching Honors Program en de EUCOTAX Wintercourse.