In Personen & familierecht

Behoefte aan partneralimentatie en kindgebonden budget: een nieuwe discussie

Door Elly Stals, geplaatst op 10 april 2017 in Personen & familierecht

Sinds het oordeel van de Hoge Raad op 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3011) over het kindgebonden budget en de berekening van de behoefte van het kind, is er discussie over hoe nu om te gaan met dit kindgebonden budget bij vaststelling van de behoefte aan partneralimentatie. In voormelde uitspraak oordeelde de Hoge Raad dat het kindgebonden budget inclusief de alleenstaande ouderkop niet in aanmerking genomen dient te worden bij bepaling van de behoefte van het kind, maar juist bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. Met andere woorden het kindgebonden budget werkt draagkrachtverhogend en niet behoefteverlagend.

In deze zaak (ECLI:NL:GHDHA:2017:412) heeft de vrouw verzocht om de partneralimentatie opnieuw (hoger) vast te stellen, omdat de voormalige echtelijke woning verkocht is, waardoor de draagkracht van de man gestegen zou zijn. De man stelt de behoefte van de vrouw ter discussie en stelt onder meer dat het kindgebonden budget onderdeel uitmaakt van het inkomen van de vrouw. De vrouw betwist dit en stelt dat het kindgebonden budget geen onderdeel uitmaakt van haar inkomen, omdat dit wordt aangewend ten behoeve van de minderjarige kinderen van partijen.

Het Hof Den Haag stelt zich ook de vraag hoe hier nu mee om te gaan. Zowel in de rechtspraak als in de literatuur bestaat geen overeenstemming. In de rechtspraak is sprake van twee stromingen.

  1. Enerzijds is er de rechtspraak die er van uit gaat dat het kindgebonden budget (inclusief alleenstaande ouderkop) dient te worden beschouwd als (eigen) inkomen van de ouder die deze bijdrage ontvangt. Het kindgebonden budget is derhalve wel van invloed op de hoogte van de (aanvullende) behoefte van de onderhoudsgerechtigde in die zin dat het kindgebonden budget de (aanvullende) behoefte en daarmee de vast te stellen partneralimentatie vermindert.
  2. Volgens de andere stroming heeft het kindgebonden budget (inclusief alleenstaande ouderkop) een aanvullend karakter, net als de huurtoeslag of zorgtoeslag, waardoor zij buiten beschouwing moet worden gelaten bij het bepalen van de behoefte van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt.

In eerdere uitspraken (ECLI:NL:GHDHA:2016 en ECLI:NL:GHDHA:2016:806) heeft het Hof Den Haag geoordeeld dat bij bepaling van de aanvullende behoefte van de onderhoudsgerechtigde geen rekening dient te worden gehouden met het kindgebonden budget. Echter, in haar beschikking van 18 mei 2016 wijkt het Hof Den Haag bewust af van deze lijn ten behoeve van de rechtseenheid en het geringe geschil die de verschillende benaderingen opleveren. Zij kiest er in deze beschikking derhalve bewust voor om een andere richting in te slaan en vermeerdert het netto inkomen van de vrouw met het kindgebonden budget, nadat dit is verminderd met het voor rekening van de vrouw komende aandeel in de kosten van de kinderen. Dit is in lijn met de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 19 januari 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:309). Ook het Hof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2016:1389) hield eerder rekening met het kindgebonden budget bij bepaling van de aanvullende behoefte aan partneralimentatie, maar wel met de overweging dat dit redelijk is, indien de alimentatieplichtige volledig in de behoefte van de kinderen voorziet.

In haar beschikking 22 februari 2017 overweegt het Hof Den Haag vervolgens nog dat, indien het netto inkomen wordt verhoogd met het kindgebonden budget, de situatie kan ontstaan dat het kindgebonden budget (gedeeltelijk) moet worden aangewend om te voorzien in het eigen levensonderhoud van de alimentatiegerechtigde. Het kindgebonden budget kan dan in zoverre niet worden aangewend waarvoor het is bedoeld, namelijk te voorzien in de behoefte van het kind. Dit kan andersom ook hetzelfde nadelige effect hebben. Namelijk in het geval dat de partneralimentatieplichtige de verzorgende ouder is en daarvoor kindgebonden budget ontvangt. Indien dit kindgebonden budget (ook) zijn netto inkomen verhoogt, zou het kunnen voorkomen dat het kindgebonden budget moet worden aangewend om de partneralimentatie te voldoen aan de niet-verzorgende ouder (de partneralimentatiegerechtigde).

Mede omdat in onderhavige situatie geen sprake is van een gering verschil in uitkomst van de verschillende benaderingen, ziet het Hof Den Haag in haar beschikking van 22 februari 2017 aanleiding om ambtshalve een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad te stellen. Het Hof heeft aan de Hoge Raad de volgende rechtsvraag voorgelegd:

“Moet in het kader van de vaststelling van de op de voet van artikel 1:157 BW door de ene aan de andere (gewezen) echtgenoot verschuldigde uitkering tot levensonderhoud rekening worden gehouden met het door de onderhoudsgerechtigde echtgenoot ontvangen kindgebonden budget, inclusief de alleenstaande ouderkop, door dit te beschouwen als inkomen van laatstgenoemde echtgenoot, met als gevolg dat het kindgebonden budget in mindering strekt op diens behoefte aan een uitkering tot levensonderhoud, dan wel is bij het kindgebonden budget sprake van een overheidsbijdrage van aanvullende aard waarvan het karakter meebrengt dat die bijdrage bij het vaststellen van de behoefte buiten beschouwing moet worden gelaten en enkel bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsgerechtigde (in het kader van de jusvergelijking) in aanmerking moet worden genomen?”

Daarnaast heeft het Hof aangegeven het op prijs te stellen als de Hoge Raad ook ingaat op de benadering van het Hof Arnhem-Leeuwarden in de eerder vermelde beschikking van 19 januari 2016.

Het antwoord van de Hoge Raad op bovenstaande vraag zal nog wel even op zich laten wachten, maar zal voor de beëindiging van tal van soortgelijke geschillen van belang zijn. Of het antwoord van de Hoge Raad ook een herberekening van reeds vastgestelde partneralimentatie en de daaraan ten grondslag liggende aanvullende behoefte rechtvaardigt, is niet zeker. Maar afhankelijk van hetgeen al is vastgelegd, kan het een verschil betreffen van enkele duizenden euro’s per jaar! Wordt dus vervolgd…

Heeft u naar aanleiding van dit artikel nog vragen? Neemt u dan vrijblijvend contact op met mw. mr. E.J.M. Stals (estals@abenslag.nl of 0495-536138) of mw. mr. D.J.M. Kuppens (dkuppens@abenslag.nl of 0495-536138).

Elly Stals

Elly Stals

Na een achttal jaren werkervaring bij de overheid heeft Elly Stals ruim dertig jaar geleden de keuze gemaakt voor de advocatuur. Gedurende haar lange loopbaan heeft zij een goede reputatie opgebouwd op het gebied van het personen- en familierecht, het insolventierecht en het bestuursrecht.